Voltooid verleden tijd- het pefectum

De voltooide tijd
- het perfectum -
niet nu, maar vroeger!
1 / 35
volgende
Slide 1: Tekstslide
NT2Beroepsopleiding

In deze les zitten 35 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

De voltooide tijd
- het perfectum -
niet nu, maar vroeger!

Slide 1 - Tekstslide

Doel
Ik begrijp wat het perfectum is,
 en ik kan het correct gebruiken.

Slide 2 - Tekstslide

Welke tijden ken je in het Nederlands?

Verleden
Tegenwoordige tijd
Toekomst


Slide 3 - Tekstslide

Toekomst
A
Nu - vandaag
B
Morgen - volgende week
C
Gisteren - vorig jaar

Slide 4 - Quizvraag

Tegenwoordige tijd
A
Nu - vandaag
B
Morgen - volgende week
C
Gisteren - vorig jaar

Slide 5 - Quizvraag

Verleden tijd
A
op dit moment
B
maart 2026
C
vandaag
D
gisteren - vroeger

Slide 6 - Quizvraag

Praten over vroeger (perfectum)

Vroeger - voltooide tijd
Ik heb tot 17:00 uur gewerkt
Wij hebben in Oekraiine gewoond

Slide 7 - Tekstslide

 
De voltooide tijd gebruiken we als iets klaar is. 

Slide 8 - Tekstslide

Wij hebben in Oekraiine gewoond.

  • hebben  80%: ik heb, jij hebt, hij heeft, wij hebben
  •  zijn 20%: ik ben, jij bent, hij is
Het tweede werkwoord is het participium (voltooid deelwoord).


Ik ben in Utrecht geboren.

Slide 9 - Tekstslide

Het auxiliair (hulpwerkwoord) hebben
Ik
heb
gewerkt
Jij (je)
hebt
gewerkt
U
hebt / heeft
gewerkt
Hij/ zij (ze) / het
heeft
gewerkt
Wij (we) 
hebben
gewerkt
Jullie 
hebben
gewerkt
Zij (ze)
hebben
gewerkt

Slide 10 - Tekstslide

Het auxiliair (hulpwerkwoord) zijn
Ik
ben
geboren
Jij (je)
bent
geboren
U
bent
geboren
Hij/ zij (ze) / het
is
geboren
Wij (we) 
zijn
geboren
Jullie 
zijn
geboren
Zij (ze)
zijn
geboren

Slide 11 - Tekstslide

Hoe maak je voltooid deelwoord?
                                          Zet "ge-" voor de stam
                                                       gewerk...

  •                            Op het eind komt een d of een
  •                               werk ➡ (ik) werk  ➡ gewerkt
  •                               ruilen  ➡ (ik) ruil ➡ geruild

Slide 12 - Tekstslide

Hoe? 
Kijk naar het hele werkwoord - wat is de stam (de ik-vorm)?
  • werken - (ik) 
  • werk
  • pinnen - (ik) 
  • pin
  • wonen - (ik) 
  • woon
  • wachten - (ik) 
  • wacht                                                   

Slide 13 - Tekstslide

't kofschip
paketschiff
x   s f t   k t c h 

Slide 14 - Tekstslide

                    werken - ik werk

                    pinnen - ik pin

                    wonen - ik woon

                    vieren - ik vier

                    passen - ik pas

  • Ik heb gewerkt

  • ik heb gepind

  • Ik heb gewoond

  • Ik heb gevierd

  • Ik heb gepast

Slide 15 - Tekstslide

Nog een paar voorbeelden
          
  •                     Ik heb tot 17:00 uur gewerkt
  •                     We hebben gisteren lekker gefietst
  •                     Wij hebben in Rotterdam gewoond.
  •                     Jullie hebben hem niet goed gehoord.

SOFTKETCHUP

Slide 16 - Tekstslide

We gaan oefenen

Slide 17 - Tekstslide

Nu: Hij past de broek aan.
Verledentijd: ..........................................
A
Hij gepast broek.
B
Hij heeft de broek gepasd
C
Hij heeft de broek gepast

Slide 18 - Quizvraag

Nu: Ik ruil de trui.


A
Ik heb de trui geruilt.
B
Ik heb de trui geruild.
C
Ik heb geruild de trui.

Slide 19 - Quizvraag

Hij knipt vandaag drie klanten.

Verledentijd:
A
Hij heeft geknipt drie klanten.
B
Hij drie klanten geknipt.
C
Hij heeft drie klanten geknipt.

Slide 20 - Quizvraag

Tijd voor het werkblad

Slide 21 - Tekstslide

Agenda
* Start (gevoel)
* Whatsapp groep maken
* Herhaling vorige week
----------------------------
* Start 1: studie en beroep
* Luisteren
* Grammatica

Slide 22 - Tekstslide

korte herhaling

Wij wonen al een paar jaar in Nederland.
  1. Hij _______ in 2022 naar Nederland _______________.
  2. Sinds die tijd _________ hij veel steden _________________.
  3. Zij ________ vroeger schrijven het moeilijkst en hij __________ het makkelijkst.
  4. Wij _____________ ons Nederlands ___________________.

Slide 23 - Tekstslide

Let op!
                        Is de laatste letter van de stam een t of een d?
                         Het participium (voltooid deelwoord) krijgt geen  extra t of d.
                                             WACHTEN - GEWACHTT
                                             praten - gepraat
                                             zuchten - gezucht


X

Slide 24 - Tekstslide

Let op!
                 Verba (werkwoorden) met een z of een v  krijgen een !
                                                 reizen - gereisd
                                                 grazen - gegraasd
                                                 leven - geleefd
                                                 beven - gebeefd


Slide 25 - Tekstslide

We gaan oefenen

Slide 26 - Tekstslide

Ik luister

A
Ik heb geluisterd
B
Ik heb geluistert

Slide 27 - Quizvraag

Wij reizen


A
Wij hebben gereisd
B
wij hebben gereist

Slide 28 - Quizvraag

Jullie leven in Rwanda.

jullie hebben in Rwanda.................


A
geleefd
B
geleeft

Slide 29 - Quizvraag

beroepen <hier>

Slide 30 - Tekstslide

Slide 31 - Tekstslide

Luisteren
Werkblad!!

Slide 32 - Tekstslide

Slide 33 - Link




Voltooide tijd, onregelmatige verva (werkwoorden)

Slide 34 - Tekstslide

Deze woorden moet je uit je hoofd leren!

Slide 35 - Tekstslide