Spelling NN havo 4

WELKOM havo 4
Nieuw Nederlands Spelling

Check: oordopjes weg + telefoon uit/onzichtbaar
Starten met 10 minuten lezen!! Direct bij binnenkomst :-)
1 / 31
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 4

In deze les zitten 31 slides, met tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

WELKOM havo 4
Nieuw Nederlands Spelling

Check: oordopjes weg + telefoon uit/onzichtbaar
Starten met 10 minuten lezen!! Direct bij binnenkomst :-)

Slide 1 - Tekstslide

TAALVOUTJES 

Slide 2 - Tekstslide

Belangrijk:
31 oktober TOETS SPELLING EN FORMULEREN
Voor  7 november inleveren boekverslag (zakelijke gegevens + verwerkingsopdracht) in 1 bestand. 

Slide 3 - Tekstslide

1. Persoonsvorm
Hoe vind je de persoonsvorm?
Zet de zin in een andere tijd.
Wat zijn de regels voor de persoonsvorm TT?
Ik-vorm: stam
Hij-vorm: stam+t
Staat je/jij achter persoonsvorm? stam

Meervoud: infinitief
Wat zijn de regels voor de persoonsvorm VT?
1. Zwakke werkwoorden ('t ex-kofschip)

2. Sterke werkwoorden (verandering van klank)

Slide 4 - Tekstslide

Voorbeelden
1. De witte was doe ik nooit bij de bonte was, zodat mijn witte kleding goed wit blijft. 
2. Max Verstappen ... (racen) maandelijks een keer op het circuit van Zandvoort. 
3. Meer dan 80.000 mensen ... (vluchten) vorige week voor aardbevingen en overstromingen.

Slide 5 - Tekstslide

2. Overige werkwoordsvormen
Voltooid en onvoltooid deelwoord als
bijvoeglijk naamwoord?
Infinitief
Het hele werkwoord
Gebiedende wijs
Ga staan! -> Stam van het werkwoord
Onvoltooid deelwoord
Je bent ermee bezig-> Al wandelend bespreken wij de gang van zaken.
Het hele werkwoord +d
Voltooid deelwoord
Zelfde regels als persoonsvorm verleden tijd-> 
laatste letter in 't-exkofschip'? 

Slide 6 - Tekstslide

3. Lastige gevallen in de werkwoordspelling
Blz. 275

Slide 7 - Tekstslide

4. Hoofdletters en leestekens
HOOFDLETTER
1
Aan het begin van een zin. Let op zinnen in de directe rede.
2
Bij persoonsnamen; Sytske van der Zweep, mevrouw Van der Zweep.
3
Namen van verenigingen, bedrijven, instellingen en diensten.
4
Afleidingen van aardrijkskundige namen, merken, historische gebeurtenissen, straten, hemellichamen, gebouwen, feestdagen en titels.

Slide 8 - Tekstslide

4. Hoofdletters en leestekens
HOOFDLETTER - wanneer niet?!
1. Soorten; glaasje bordeaux
2. historische periodes; middeleeuwen
3. afleidingen van feestdagen; kerstvakantie
4. maanden, dagen, seizoenen; mei, zondag, lente
5. windstreken; noorden, zuiden, westen, oosten
6. Religies en afleidingen daarvan; katholiek, islam, jodendom

Slide 9 - Tekstslide

4. Hoofdletters en leestekens
LEESTEKENS
Punt
Aan het eind van de zin.
Bij afkortingen.
Vraagteken & uitroepteken
Aan het eind van een zin. Let op de directe rede. 
Komma
1. Voor en na een bijstelling.
2. Tussen twee persoonsvormen.
3. Tussen onderdelen van een opsomming.
4. Voor of na een aanspreking. 
5. Voor een voegwoord.
Puntkomma
1. Zinnen die sterk met elkaar samenhangen.
2. Delen van een opsomming (in zinnen).
Dubbele punt
1. Opsomming aankondigen.
2. .Verklaring aankondigen.
3. Om de directe rede aan te kondigen.
Aanhalingstekens
1. Citaat.
2. Directe rede (alleen bij gesproken tekst, geen gedachten).

Slide 10 - Tekstslide

5. Meervoudsvorming
Meervouden op -s: garages, dvd's, baby's, bureaus, essays.

Meervouden op -en: bomen, laarzen, dieven, takken, perziken, knieën, bacteriën

Meervouden op -eren: eieren, runderen

Vreemde meervoudsvormen: musea, data, crises, politici.

Slide 11 - Tekstslide

6. Verkleinwoorden
Paraplu
Baby
Tosti
Vlag                         Wat gebeurt er met het woord als je het verkleint?
Ketting
Rund
Blad
Tante

Slide 12 - Tekstslide

8. Aan elkaar of los?

Slide 13 - Tekstslide

8. Aan elkaar of los?

Slide 14 - Tekstslide

8. Aan elkaar of los?

Slide 15 - Tekstslide

8. Aan elkaar of los?
Aan elkaar:
1. Samenstellingen van twee of drie woorden: schoolvakantie
2. Getallen tot en met duizend en in samenstellingen: drieduizend, zeshonderd. 
3. Combinaties van voorzetsel en bijwoord: dichtbij, naartoe.
4. Combinatie van twee voorzetsels: voorin, achterop.
5. Er, hier, daar, waar + voorzetsel: hieraan, waarvoor, daartegenover.

Slide 16 - Tekstslide

8. Aan elkaar of los?
Los: 
1. Getallen met miljoen of miljard: vijf miljoen, zes miljard.
2. Combinatie van voorzetsel en bijwoord als daarna een lidwoord of zelfstandig naamwoord komt: hij woont dicht bij de stad.
3. Combinatie van twee voorzetsels als daarna een lidwoord of zelfstandig naamwoord komt: ik zit graag achter op de fiets
5. Voorzetsels die onderdeel uitmaken van een werkwoord: inpakken, opschieten, bijzetten. 

Slide 17 - Tekstslide

9. Liggend streepje

Slide 18 - Tekstslide

9. Liggend streepje

Slide 19 - Tekstslide

10. Trema en apostrof

Slide 20 - Tekstslide

10. Trema, apostrof, accenttekens

Slide 21 - Tekstslide

11. Getallen

Slide 22 - Tekstslide

11. Getallen

Slide 23 - Tekstslide

12. Sommige of sommigen?

Slide 24 - Tekstslide

12. Sommige of sommigen?

Slide 25 - Tekstslide

Herhaling
1. Zijn gezondheid is enorm (verbeteren).
2. Hij stootte zijn hoofd zo hard dat hij zich (verwonden).
3. Mijn dochter (bereiden) alles heel goed voor.




Slide 26 - Tekstslide

Noteer het meervoud
1. glas
2. lobbes
3. café
4. filosoof
5. ski

Slide 27 - Tekstslide

Plaats hoofdletters en leestekens

1. mevrouw van den bosch-van wijnen

gaat op wintersport in de franse plaats tignes
2 na het eten zei harry
ik laat nog even de hond uit






Slide 28 - Tekstslide

13. Probleemwoorden

Slide 29 - Tekstslide

Kies het juist gespelde woord...
3 radios / radio’s
4 rallys /   rally’s
5 salades /  salade’s
6 trolleys / trolley’s

Slide 30 - Tekstslide

Noteer de verkleinwoorden..
7 display
8 hyena
9 logé
10 oefening


Slide 31 - Tekstslide