Oefenopgaven IJSO

1 / 14
volgende
Slide 1: Tekstslide
NatuurkundeMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 3

In deze les zitten 14 slides, met interactieve quizzen en tekstslide.

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Tekstslide

Veel mensen hebben het over “stroomverbruik” als ze het over het gebruik van elektriciteit hebben. Deze uitspraak is echter onjuist omdat:
A
er energie wordt omgezet (verbruikt) en niet de stroom,
B
de stroom de elektrische energie alleen maar transporteert,
C
er evenveel stroom het huis in gaat als er ook weer uit gaat,
D
alle drie antwoorden in A, B en C zijn juist

Slide 2 - Quizvraag

De grafiek van de stroom als functie van de spanning door een gloeilamp is:
A
een rechte lijn door de oorsprong,
B
een rechte lijn die niet door de oorsprong gaat,
C
een kromme lijn waarvan de helling steeds steiler wordt,
D
een kromme lijn waarvan de helling steeds minder steil wordt.

Slide 3 - Quizvraag

A, B en C zijn identieke gloeilampjes. Met behulp van een regelbare spanningsbron wordt een schakeling gebouwd (zie figuur). Schakelaar S staat open en de lampjes A en B branden.
A
A gaat zwakker branden.
B
A blijft even sterk branden
C
A gaat sterker branden
D
Dat kun je niet weten, dat hangt van de weerstanden af.

Slide 4 - Quizvraag

Jan wil de verhouding van de weerstanden van twee draden A en B bepalen. De draden zijn van hetzelfde materiaal.
Draad A is 1,0 meter lang en heeft een diameter van 0,2 mm.
Draad B is 0,5 meter lang en heeft een diameter van 0,4 mm.
Welke van de volgende uitspraken is juist?
A
R_A = 8 x R_B
B
R_A = 4 x R_B
C
R_A = 2 x R_B
D
R_A = R_B

Slide 5 - Quizvraag

De schakeling wordt aangesloten op een spanningsbron van 240 Volt. Tussen de spanningsbron en punt A wordt een ampèremeter in de schakeling opgenomen.
Bereken hoe groot de stroom is die door de ampèremeter gemeten wordt.
A
0,500 A
B
1,00 A
C
2,00 A
D
8,00 A

Slide 6 - Quizvraag

Van twee lampjes A en B zijn U (in V) en I (in A) in een grafiek gezet.
Beide lampjes worden in serie geschakeld en aangesloten op een spanningsbron van 15,0 V. Bepaal met behulp van de grafiek zo nauwkeurig mogelijk de stroomsterkte door lampje A.
A
0,35 A
B
0,40 A
C
0,42 A
D
0,55 A

Slide 7 - Quizvraag

Je hebt 4 identieke weerstanden R, 2 stroommeters en genoeg stroomdraden. Je bouwt twee schakelingen . Het spanningsverschil tussen de punten A en B is telkens gelijk.
Wat geldt voor de gemeten waarden van de stroomsterktes?
A
I_1 = I_2
B
I_1 = 2 x I_2
C
I_1 = 0,5 x I_2
D
I_1 = 0,25 x I_2

Slide 8 - Quizvraag

Een weerstandsdraad heeft een weerstand van R = 20 Ω. De draad wordt dubbelgevouwen zodat de lengte halveert. De twee uiteinden worden aan elkaar verbonden. Hoe groot is de weerstand van deze dubbelgevouwen draad?
A
5,0 Ω
B
10 Ω
C
20 Ω
D
40 Ω

Slide 9 - Quizvraag

Een weerstandsdraad heeft een doorsnedeoppervlak van 0,0120 mm² en een lengte van 0,850 meter. De weerstand van de draad is 125 Ω.
Bereken de soortelijke weerstand van de draad.

Slide 10 - Open vraag

De weerstand (125 Ω) wordt in serie geschakeld met lampje L. De spanningsbron wordt ingesteld, zodat over de weerstand 15,0 V staat. Bepaal het vermogen van de spanningsbron.

Slide 11 - Open vraag

Hoe groot is R?

Slide 12 - Open vraag

IJs heeft een 10% kleinere dichtheid dan water, zonnebloem-olie heeft een 5% kleinere dichtheid dan water. Als je een bekerglas voor de helft vult met water en daarin een ijsklontje doet en vervolgens het bekerglas tot de rand vult met zonnebloemolie, wat gebeurt er dan met het ijsklontje?
A
Het ijsklontje blijft op het water liggen, zonnebloemolie drijft ook op water
B
Het ijsklontje zinkt dieper in het water omdat er zonnebloemolie bovenop ligt
C
Het ijsklontje zweeft tussen het water en de zonnebloemolie
D
Het ijsklontje drijft bovenaan het bekerglas in de zonnebloemolie

Slide 13 - Quizvraag

Op welk tijdstip t passeert het middelpunt van het doosje op band II het middelpunt van het doosje op band I?
A
2,5 s
B
3,5 s
C
4,0 s
D
5,0 s

Slide 14 - Quizvraag