Samenvattende Lu H9

Twee wereldoorlogen en hun impact

1 / 33
volgende
Slide 1: Slide
newEditorGeschiedenisVoortgezet speciaal onderwijsLeerroute 5

In deze les zitten 33 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 25 min

Onderdelen in deze les

Twee wereldoorlogen en hun impact

Wat weet je al over de wereldoorlogen?

Leerdoel van deze les

Aan het einde van deze les kun je de oorzaken, het verloop en de gevolgen van de Eerste en Tweede Wereldoorlog uitleggen, en de invloed van ideologieën en wereldcrises benoemen.

Oorzaken van de Eerste Wereldoorlog

Nationalisme, bewapening, militaire trots en bondgenootschappen maakten de kans op oorlog groot. De moord op Frans Ferdinand was de directe aanleiding.

Het verloop van de Eerste Wereldoorlog

De oorlog tussen de Centralen en de Geallieerden mondde uit in loopgravenoorlog. Nieuwe wapens en massaal geweld troffen ook burgers. In 1918 kwam er een einde met een wapenstilstand.

Gevolgen na de Eerste Wereldoorlog

Duitsland kreeg de schuld, werd zwaar gestraft en de Weimarrepubliek ontstond.

Het interbellum

Verdrag van Versailles

Periode van heropbouw, economische crisis en opkomst van extremistische ideologieën.

Totalitaire ideologieën

Communisme (Rusland), fascisme (Italië) en nationaalsocialisme (Duitsland) streefden naar complete controle over de maatschappij door leider en partij.

De Tweede Wereldoorlog

Duitsland begon met de Blitzkrieg aan een nieuwe oorlog. Uiteindelijk leidde verzet van geallieerden en de Sovjet-Unie tot de nederlaag van Nazi-Duitsland en Japan.

Verwoesting en invloed op burgers

Betrokkenheid burgers

Nieuwe wapens, zoals gifgas en atoombommen, zorgden voor veel slachtoffers en blijvende schade.

Mensen werden betrokken als soldaat, arbeider of slachtoffer. Er was schaarste en onderdrukking tijdens oorlog.

Massavernietigingswapens

Wat was de aanleiding voor de Eerste Wereldoorlog?

A

De moord op Frans Ferdinand

B

De aanval op Pearl Harbor

C

De Russische Revolutie

D

De ondergang van het Ottomaanse Rijk

Welke landen vormden de Centralen?

A

Duitsland, Oostenrijk-Hongarije, Ottomaanse Rijk

B

Verenigde Staten, Italië, Japan

C

Nederland, België, Spanje

D

Frankrijk, Groot-Brittannië, Rusland

Wat typeerde de oorlog aan het westelijk front?

A

Luchtgevechten met vliegtuigen

B

Mobiele oorlogsvoering

C

Loopgravenoorlog

D

Veldslagen met ridders

Wat was een gevolg van de totale oorlog?

A

Vrouwen vervingen mannen in fabrieken

B

Alleen soldaten vochten

C

De steden bleven onaangetast

D

Er was geen voedseltekort

Welk verdrag werd in 1919 getekend?

A

Verdrag van Versailles

B

Verdrag van Londen

C

Verdrag van Versailles II

D

Verdrag van Trianon

Wat leidde tot de beurskrach van 1929?

A

Europese herstel na oorlog

B

Te hoge aandelenprijzen

C

Stijgende landbouwproductie

D

Massale verkoop van aandelen

Wie was de president tijdens de New Deal?

A

Franklin D. Roosevelt

B

Herbert Hoover

C

Harry S. Truman

D

John F. Kennedy

Wat gebeurde er met de banken?

A

Ze groeiden snel

B

Ze verleenden meer leningen

C

Ze werden genationaliseerd

D

Ze gingen failliet

Wie was de eerste leider van de Sovjet-Unie?

A

Adolf Hitler

B

Vladimir Lenin

C

Benito Mussolini

D

Joseph Stalin

Wat is een kenmerk van het fascisme?

A

Gelijkheid voor iedereen

B

Nationalisme en geweldsverheerlijking

C

Vrijemarkteconomie

D

Vrijheid van meningsuiting

In welk jaar viel Duitsland Polen binnen?

A

1945

B

1941

C

1933

D

1939

Wat wordt bedoeld met Blitzkrieg?

A

Diplomatiek overleg

B

Vrede sluiten met vijanden

C

Snelle militaire aanvallen met tanks

D

Vertragingstactiek in de oorlog

Wat was het keerpunt aan het oostfront?

A

Capitulatie van Japan

B

Inval in Polen

C

Slag om Engeland

D

Slag om Stalingrad

Wat is propaganda?

A

Vrije informatie voor een open debat

B

Eenzijdige informatie om mensen te winnen

Wat was de Hitlerjugend?

A

Club voor volwassen mannen in Duitsland

B

Massaorganisatie voor jongens in Duitsland

Wanneer begonnen de rassenwetten van Neurenberg?

A

1945

B

1940

C

1935

D

1938

Wat gebeurde er tijdens de Kristallnacht?

A

Joodse winkels en synagogen werden verwoest

B

Joden kregen rechten

C

Nederland werd bevrijd

D

Er was voedseltekort

Wat is de Holocaust?

A

Een militaire strategie

B

Een kunststroming

C

Genocide op de Joden tijdens de oorlog

D

Een politieke beweging

Wat is accommodatie tijdens de oorlog?

A

Aanpassen aan nieuwe omstandigheden

B

Samenwerken met de Joden

C

Oorlog voeren tegen Duitsland

D

Actief verzet tegen de bezetter

Wat wordt de hongerwinter genoemd?

A

Voedsel- en brandstofschaarste in 1944-1945

B

De bevrijding van Nederland

C

Een winter met veel sneeuw

D

Een periode van vrede

Wie was de leider van de PNI?

A

Soekarno

B

Mahatma Gandhi

C

Winston Churchill

D

Nelson Mandela

Wat wilde Mahatma Gandhi voor India?

A

Meer Britse controle

B

Oorlog tegen Nederland

C

Economische onafhankelijkheid

D

Een nationale staat op basis van gelijkheid

Wat ontstond er na WOI in Nederlands-Indië en zette door na WOII?

A

Militaire samenwerking

B

Meer koloniale macht

C

Roep naar onafhankelijkheid

D

Geen politieke partijen

Welke protestactie voerde Gandhi?

A

Politieke onderhandelingen

B

Geweldloze protestacties

C

Gewapende opstanden

D

Economische boycots