Commercieel 'koopkracht en koopstromen'

Economie & Ondernemen
Profieldeel Commercieel
Koopkracht en koopstromen
1 / 24
volgende
Slide 1: Tekstslide
Economie & OndernemenMiddelbare schoolvmbo kLeerjaar 4

In deze les zitten 24 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 2 videos.

Onderdelen in deze les

Economie & Ondernemen
Profieldeel Commercieel
Koopkracht en koopstromen

Slide 1 - Tekstslide

Slide 2 - Video

Slide 3 - Video

Deflatie
Inflatie
Wanneer de prijzen van producten stijgen.
Wanneer de prijzen van de producten dalen.

Slide 4 - Sleepvraag

Koopkracht=
de hoeveelheid producten die iemand kan kopen van zijn inkomen.

Slide 5 - Tekstslide



Nominale koopkracht =

het bedrag in euro's dat iemand verdient.

Stel je voor dat iemand zijn inkomen met 5% stijgt.


Reëel inkomen = 

de hoeveelheid die iemand kan kopen van zijn inkomen.

Stel je voor dat  de inflatie 3%  in dat jaar is.

Slide 6 - Tekstslide


Stel je voor dat iemand zijn inkomen met 5% stijgt.

Stel je voor dat de inflatie 3% in dat jaar is.

Je inkomen stijgt met 5% (positief!!)

Maar alles wordt 3% duurder (negatief)

Je reëele koopkracht stijgt met +5% - 3% = + 2%

Slide 7 - Tekstslide

Nu jij!
Het inkomen van Josephine stijgt met 3%. De inflatie is 1%. Hoeveel is de reëele inkomensstijging?

Slide 8 - Open vraag

Nu jij!
Het inkomen van Jacco blijft gelijk. De inflatie is 2%. Hoeveel is de reëele inkomensstijging?

Slide 9 - Open vraag

Koopstroom
waar kopen klanten hun producten?
Koopstromen worden uitgedrukt in:
* koopkrachtbinding
* koopkrachttoevloeiing
*koopkrachtafvloeiing

Slide 10 - Tekstslide

Slide 11 - Kaart

Voorbeeld Koopkrachtbinding
In Kaatsheuvel wonen 5000 mensen die passen bij de doelgroep van de Shoeby Shop. Gemiddeld besteden deze mensen € 600 per jaar aan kleding.

Koopkrachtbinding =  5 000 mensen x € 600 = € 3 000 000

Slide 12 - Tekstslide

Voorbeeld Koopkrachtbinding
Koopkrachtbinding =  5 000 mensen x € 600 = € 3 000 000

In Waalwijk opent een nieuwe kledingwinkel. Na marktonderzoek blijkt dat van de 5 000 mensen in de doelgroep 20% naar die nieuwe winkel gaan.
Dat zijn 5 000 : 100 x 20 = 1 000 mensen
Koopkrachtafvloeiing=  1 000 x € 600 = € 600 000

Slide 13 - Tekstslide

Voorbeeld Koopkrachtbinding
Koopkrachtbinding =  5 000 mensen x € 600 = € 3 000 000
Koopkrachtafvloeiing=  1 000 x € 600 = € 600 000

Vanuit Loon op Zand komen 300 klanten naar de Shoebyshop.
Dat is de koopkrachttoevloeiing = 300 x € 600 = € 180 000

Slide 14 - Tekstslide

Voorbeeld Koopkrachtbinding
Koopkrachtbinding =  5 000 mensen x € 600 = € 3 000 000
Koopkrachtafvloeiing=  1 000 x € 600 = € 600 000
Koopkrachttoevloeiing = 300 x € 600 = € 180 000
Totale koopkrachtbinding = koopkrachtbinding - koopkrachtafvloeiing + koopkrachttoevloeiing
Totale koopkrachtbinding =  € 3 000 000 - € 600 000 + € 180 000
= € 2 580 000

Slide 15 - Tekstslide

In Waalwijk wonen 4 000 mensen die tot de doelgroep van schoenenzaak Van Haren horen. Zij geven gemiddeld € 175 per jaar uit aan schoenen. Bereken de koopkrachtbinding. (vermeld je antwoord zonder €-teken)

Slide 16 - Open vraag

Vanuit Kaatsheuvel komen 75 mensen naar Van Haren. Ook zij geven € 175 per jaar uit aan schoenen.
Bereken de koopkrachttoevloeiing. (Vermeld je antwoord zonder € - teken en in hele euro's)

Slide 17 - Open vraag

In Waalwijk zijn ook 2000 klanten die hun schoenen ergens anders. Ook zij geven € 175 per jaar uit aan schoenen.
Bereken de koopkrachtafvloeiing. (Vermeld je antwoord zonder € - teken en in hele euro's)

Slide 18 - Open vraag

Bereken de totale koopkrachtbinding. Blader terug naar de vorige vragen. De formule is:
koopkrachtbinding + koopkrachttoevloeiing - koopkrachtafvloeiing = totale koopkrachtbinding

Slide 19 - Open vraag

CSPE 2015
Onderdeel B Omzet, kosten en winst
Zet hieronder je antwoord op vraag 8

Slide 20 - Open vraag

CSPE 2015
Onderdeel B Omzet, kosten en winst
Zet hieronder je antwoord op vraag 9

Slide 21 - Open vraag

CSPE 2015
Onderdeel B Omzet, kosten en winst
Zet hieronder je antwoord op vraag 10

Slide 22 - Open vraag

CSPE 2015
Onderdeel B Omzet, kosten en winst
Zet hieronder je antwoord op vraag 11

Slide 23 - Open vraag

Slide 24 - Tekstslide