NT2 grammatica - 7. Persoonlijk voornaamwoord (enkelv.+meerv.)

NT2 grammatica -

7. persoonlijk voornaamwoord

Persoonlijk voornaamwoord,

onderwerp enkelvoud en meervoud.

1 / 32
volgende
Slide 1: Tekstslide
newEditorNederlandsISK

In deze les zitten 32 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

NT2 grammatica -

7. persoonlijk voornaamwoord

Persoonlijk voornaamwoord,

onderwerp enkelvoud en meervoud.

Doel

  • Je leert wat een persoonlijk voornaamwoord is.

  • Je kan het persoonlijk voornaamwoord vinden in een zin.

  • Je kan een persoon/dier/ding vervangen met een persoonlijk voornaamwoord.

Persoonlijk voornaamwoord

Het persoonlijk voornaamwoord verwijst naar een mens, dier of ding.


Het persoonlijk voornaamwoord kan zowel bij een onderwerp in enkelvoud (ik, jij, hij, zij, het) als in meervoud (wij, jullie, zij) gebruikt worden.



Persoonlijk voornaamwoord, onderwerp enkelvoud

Bij een enkelvoudig onderwerp gaat het om 1 mens, dier of ding.


Pieter loopt heel hard. > Hij loopt heel hard.


De poes zit op het dak. > Zij zit op het dak.


Persoonlijk voornaamwoord, onderwerp enkelvoud

Ik hoor het alarm.


Jij fietst naar het warenhuis.


Susan bestelt een nieuwe broek. > Zij bestelt een nieuwe broek.


Een boek ligt op de tafel. > Het ligt op de tafel.





Wat is het persoonlijk voornaamwoord?

Hij gaat naar de kapper.

1

Hij

2

de kapper

Wat is het persoonlijk voornaamwoord?

Het staat op het aanrecht.

1

het aanrecht

2

Het

Wat is het persoonlijk voornaamwoord?

Zij bezorgt 30 pakketjes per uur.

A

Zij

B

bezorgt

C

30 pakketjes

D

uur

Wat is het persoonlijk voornaamwoord?

Je vertelt alleen maar onzin.

A

onzin

B

vertelt

C

Je

D

alleen

Wat is het persoonlijk voornaamwoord?

Hij heeft dat echt uitstekend gedaan!


Wat is het persoonlijk voornaamwoord?

Ik ben al teruggekomen van vakantie.

Gebruik een persoonlijk voornaamwoord.

Diaz werkt in een fabriek.


1

Het werkt in een fabriek.

2

Hij werkt in een fabriek.

Gebruik een persoonlijk voornaamwoord.

Millie vindt het huiswerk niet duidelijk.


1

Ze vindt het huiswerk niet duidelijk.

2

Jij vindt het huiswerk niet duidelijk.

Gebruik een persoonlijk voornaamwoord.

Het schaap staat in de wei.



A

Het schaap staat in de wei.

B

Het staat in de wei.

C

Ik sta in de wei.

D

Hij staat in de wei.

Gebruik een persoonlijk voornaamwoord.

Nina regelt alles voor het feest.



A

Het regelt alles voor het feest.

B

Hij regelt alles voor het feest.

C

Jij regelt alles voor het feest.

D

Zij regelt alles voor het feest.

Gebruik een persoonlijk voornaamwoord.

Mevrouw Laura trakteert de leerlingen op ijs.

Gebruik een persoonlijk voornaamwoord.

De jongen is nieuw in de klas.

Persoonlijk voornaamwoord, onderwerp meervoud


Bij een meervoudig onderwerp gaat het om 2 of meer mensen, dieren of dingen.


Sarah en Jamie zitten te zoenen op een bankje. >

Zij zitten te zoenen op een bankje.


Tina en jij maken samen huiswerk. > Jullie maken samen huiswerk.


Persoonlijk voornaamwoord, onderwerp meervoud

Wij gaan morgen naar het zwembad.


We fietsen samen naar het centrum.


Jij en de hond gingen toch samen wandelen? >

Jullie gingen toch samen wandelen?


Alle telefoons zitten in de bak. > Ze zitten in de bak.





Wat is het persoonlijk voornaamwoord?

We gaan liever niet naar die rotles.


1

We

2

die

Wat is het persoonlijk voornaamwoord?

Wij voelen ons niet oké.


1

ons

2

Wij

Wat is het persoonlijk voornaamwoord?

Jullie delen die pizza toch met elkaar?


A

die

B

elkaar

C

Jullie

D

pizza

Wat is het persoonlijk voornaamwoord?

Zij geven over twee weken samen een feest.

A

Zij

B

geven

C

samen

D

een feest

Wat is het persoonlijk voornaamwoord?

Jullie kunnen die situaties niet vergelijken.

Wat is het persoonlijk voornaamwoord?

Ze kunnen de kleur verf zelf uitkiezen.

Gebruik een persoonlijk voornaamwoord.

Danylo en Daisy ruilen van plek.

1

Wij ruilen van plek.

2

Zij ruilen van plek.

Gebruik een persoonlijk voornaamwoord.

Hassan en Julia hebben inderdaad verkering.


1

Ze hebben inderdaad verkering.

2

Jullie hebben inderdaad verkering.

Gebruik een persoonlijk voornaamwoord.

Wende en jij gaan toch naar dansles?

A

Zij gaan toch naar dansles?

B

Jullie gaan toch naar dansles?

C

Ze gaan toch naar dansles?

D

Wij gaan toch naar dansles?

Gebruik een persoonlijk voornaamwoord.

Jij en ik zouden toch boodschappen doen?

A

Jullie zouden toch boodschappen doen?

B

Zij zouden toch boodschappen doen?

C

Ze zouden toch boodschappen doen?

D

Wij zouden toch boodschappen doen?

Gebruik een persoonlijk voornaamwoord.

De koning en koningin bezoeken Duitsland.


Gebruik een persoonlijk voornaamwoord.

Jij en ik zijn een fantastisch team.


enkelvoud

meervoud

Zet zoveel mogelijk persoonlijke voornaamwoorden in elke kolom.