Psychiatrie: Angststoornis

Angststoornis
1 / 24
volgende
Slide 1: Tekstslide
VerzorgendeMBOStudiejaar 2

In deze les zitten 24 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Angststoornis

Slide 1 - Tekstslide

Wat voel je bij deze afbeelding?
A
Neutraal
B
Angst
C
Ongemakkelijk
D
Blijdschap

Slide 2 - Quizvraag

Wat voel je bij deze afbeelding?
A
Neutraal
B
Angst
C
Ongemakkelijk
D
Blijdschap

Slide 3 - Quizvraag

Wat voel je bij deze afbeelding?
A
Neutraal
B
Angst
C
Ongemakkelijk
D
Blijdschap

Slide 4 - Quizvraag

Lesopzet
  • Wat voel je?
  • Voorkennis activeren
  • Angst en angststoornis
  • Filmpje + vragen
  • Soorten angststoornissen
  • Afronding

Slide 5 - Tekstslide

Lesdoelen
Aan het einde van de les kunnen de studenten:
  •  het verschil tussen 'gewone' angst en een angststoornis benoemen.
  • In eigen woorden uitleggen wat een angststoornis inhoudt.

Slide 6 - Tekstslide

Wat maakt jouw angstig? Wat voel je dan als je angstig bent?

Slide 7 - Open vraag

Angst
Emotie 
gevaarlijk of dreigende situatie
signaal
drie manier van reageren:
- Vechten
-  Vluchten
- Verlammen

Slide 8 - Tekstslide

Wanneer spreekt men dan van een angststoornis, als iedereen toch angst ervaart?

timer
1:00

Slide 9 - Tekstslide

Angststoornis
Men spreekt van een angststoornis op het moment dat een persoon zelf erg veel last ondervind van zijn/haar angsten (zijn omgeving ook). De angst heeft invloed op het functioneren van de persoon. Denk hierbij aan ‘sociaal functioneren (niet naar buiten durven), cognitief functioneren (geen focus meer hebben) en lichamelijk functioneren (paniekaanval)’.


Slide 10 - Tekstslide

Uit onderzoek van het Trimbos instituut blijkt dat (oudere) zorgvragers met een ziekte een groter kans hebben bij het ontwikkelen van een angststoornis.

 
Waarom denken jullie dat er bij deze zorgvragers de kans groter is?

Slide 11 - Tekstslide

Symptomen bij een angststoornis
- Het hebben van bange voorgevoelens
- Bezorgdheid
- Nerveus zijn
- Ongeduldig
- Spanning
- Hartkloppingen
- Transpireren
- Duizeligheid
- Benauwdheid
-Concentratieproblemen
- Slaapproblemen

Slide 12 - Tekstslide

Slide 13 - Video

subtypen van angststoornis
  • Paniekstoornis (al dan niet met agorafobie)
  • Fobieën (agorafobie, sociale fobie, specifieke fobie) 
  • Gegeneraliseerde angststoornis (elk moment van de dag)
  • Obsessieve-compulsieve stoornis (OCS, oud dwangneurose)
  • Andere angststoornissen (Posttraumatische-stressstoornis PTSS)
  • specifieke fobie
  • sociale angstsoornis (extreme angst voor sociale situaties)


Slide 14 - Tekstslide

specifieke stoornis
verschillende typen:
natuurtype (angst door bijv storm / hoogte)
situationeel type (tunnels / liften)
bloed/injectie/verwondingstype
diertype (spin)
overige type

Slide 15 - Tekstslide

paniekstoornis
  • pijn op de borst
  • snelle of bonzende hartslag
  • koude rillingen, zweten opvliegers
  • gevoel niet meer jezelf te zijn (depersonalisatie)
  • gevoel dat de wereld niet echt is: derealisatie)
  • snel ademhalen / benauwd gevoel
  • misselijkheid / andere buikklachten
  • angst om gek te worden / dood te gaan
  • tintelend / doof gevoel
  • beven / trillen
  • licht gevoel in hoofd / duizelig zijn

Slide 16 - Tekstslide

paniekaanval
duur: meestal 10 min

angst voor herhaling, door deze angst soms juist weer aanval

ontwikkelen vaak pleinvrees (ongeveer helft van pt)
pleinvrees: agorafobie
vermijden: openbaar vervoer, groepen mensen, openbare ruimte andere situatie waar ontsnappen moeilijk / beschamend is

Slide 17 - Tekstslide

OCS
hieronder vallen: verzamelstoornis, huidplukstoornis en obsessieve-compulsieve en verwante stoornissen door een middel / medicatie of somatische aandoening

pt probeert gedachten weg te krijgen door dwanghandelingen (compulsies)

verschillende vormen: 
  • bang voor gevaarlijke gebeurtenissen (controle drang), 
  • symmetrie-obsessies, 
  • agressieve, seksuele of religieuze obsessies, 
  • angst voor besmetting

Slide 18 - Tekstslide

PTSS

Slide 19 - Woordweb

Soms ontstaan de klachten pas enkele maanden of jaren na de traumatische gebeurtenis. De klachten moeten minstens één maand aanhouden om de diagnose PTSS te kunnen stellen.

Met PTSS kan iemand de volgende klachten hebben:
het blijven herbeleven van de traumatische ervaring en/of het hebben van herhalende vervelende herinneringen aan de gebeurtenis;
nachtmerries over de gebeurtenis;
heftig reageren op prikkels die doen terugdenken aan de gebeurtenis.


De zorgvrager kan op verschillende manieren op deze klachten reageren. 
  • het vermijden van prikkels die aan het trauma doen denken;
  • het vermijden van gedachtes over het trauma;
  • het vergeten van delen van de traumatische gebeurtenis;
  • een verminderde belangstelling en concentratie in het dagelijks leven;
  • een afwezig gevoel van liefde en een gevoel van vervreemding;
  • het hebben van een negatief beeld over de toekomst.

Met PTSS kan iemand ook makkelijk prikkelbaar zijn. Iemand hebt hierbij bijvoorbeeld woedeaanvallen hebben. Ook hebben veel mensen met PTSS moeite met inslapen en doorslapen.

Slide 20 - Tekstslide

Stel jezelf in een angstig moment voor: hoe wil je dat er op zo'n moment met jou omgegaan wordt?

Slide 21 - Open vraag

Tips voor de omgang
  • Bouw aan vertrouwensrelatie
  • Neem angst serieus en toon begrip
  • Blijf rustig
  • Laat pt zoveel mogelijk alles zelf blijven doen
  • Angstdagboek
  • Bij hyperventilatie: help rustiger ademen

Slide 22 - Tekstslide

behandeling
  • psycho educatie
  • cognitieve gedragstherapie
  • medicijnen
  • exposure

meestal een combinatie

Slide 23 - Tekstslide

Afronding
Zijn de lesdoelen behaald?
Aan het einde van de les kunnen de studenten:
  •  het verschil tussen 'gewone' angst en een angststoornis benoemen.
  • In eigen woorden uitleggen wat een angststoornis inhoudt.

Huiswerk.

Slide 24 - Tekstslide