§7.4 dichtheid

1 / 24
volgende
Slide 1: Tekstslide
NatuurkundeMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 3

In deze les zitten 24 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Tekstslide

Leerdoelen 
  1. Je kunt  5 stofeigenschappen benoemen en daarmee stoffen van elkaar onderscheiden.
  2. Je kunt het volume van een hoeveelheid vloeistof bepalen
  3. Je kunt uitleggen wat de dichtheid van een stof is en in welke eenheid dichtheid wordt uitgedrukt.
  4. Je kunt de dichtheid van een stof bepalen als de massa en het volume zijn gegeven 

Slide 2 - Tekstslide

Zinken, zweven en drijven

Slide 3 - Tekstslide

Laagjes cocktail
Elke vloeistof en vaste stof heeft een kleinere of grotere dichtheid. Hierdoor drijven sommige stoffen op elkaar, terwijl andere stoffen dat niet zouden doen. 

In de volgende slide zie je een natuurkunde laagjes cocktail. Deze cocktail kun je met behulp van wat kennis van dichtheid maken. 

Slide 4 - Tekstslide

Slide 5 - Tekstslide

welke vloeistof blijft op een andere vloeistof drijven?
A
de vloeistof met een grotere dichtheid drijft op die met een kleinere dichtheid
B
de vloeistof met een kleinere dichtheid drijft op die met een grotere dichtheid

Slide 6 - Quizvraag

Dichtheid berekenen

Slide 7 - Tekstslide

Massa
De massa bepaal je met een weegschaal.

Slide 8 - Tekstslide

Volume
Volume kun berekenen met:  
lengte x breedte x hoogte

Of je bepaalt het met de onderdompelmethode

Slide 9 - Tekstslide

Voorbeeld
Bereken de dichtheid van het blokje.

m = 324 g
V = 4 x 3 x 10 = 120 cm3
ρ = m:V = 324 : 120 = 2,70 g/cm3

Dit is dus waarschijnlijk aluminium

Slide 10 - Tekstslide

Slide 11 - Video

Volume ​bepalen; twee manieren
Berekenen volume (cm3)
  • lengte x breedte x hoogte

Onderdompelmethode:
  • 1 ml = 1 cm3
  • Volume voorwerp = volume verandering

Slide 12 - Tekstslide

2) Bepaal het volume           (in cm3) van de steen door de onderdompelmethode

  • Volume beginstand = 31 ml
  • Volume eindstand = 48 ml
  • Volume = eindstand - beginstand 
  •              = 48 - 31 = 17 ml = 17 cm3

Slide 13 - Tekstslide

3) Bij een proef krijg je een blok staal en een blok aluminium van elk 1 kg.
De dichtheid van staal is 7,8 g/cm3 en de dichtheid van aluminium is 2,7 g/cm3.
Welk blok heeft het grootste volume.
A
Staal
B
Aluminium

Slide 14 - Quizvraag

5) Een messing staaf heeft een massa van 680 g.
Het volume van de staaf is 80 cm3.
Bereken de dichtheid van messing.

  • Dichtheid = ? g/cm3
  • Massa = 680 g
  • Volume = 80 cm3
  • Dichtheid = massa : volume 
  •                 = 680 : 80 = 8,5 g/cm3

Slide 15 - Tekstslide

6a) Welke twee gassen ontstaan als je een brandstof volledig verbrandt?
A
Waterdamp en zuurstof
B
Waterdamp en koolstofdioxide
C
Waterdamp en koolstofmonoxide
D
Koolstofdioxide en koolstofmonoxide

Slide 16 - Quizvraag

6b) vul het reactieschema van de volledige verbranding van aardgas in.
+
+
  _______>
verbranding
koolstofdioxide
zuurstof
water
aardgas

Slide 17 - Sleepvraag

Asterix en Obelix
Kijk nog eens terug naar de eerste slide met Asterix en Obelix. Bespreek met elkaar hoe het kan zijn dat Obelix blijft drijven in de Dode Zee. 

Slide 18 - Tekstslide

Oefenopdrachten
Hierna vind je een aantal oefenopdrachten voor dichtheid. 

Slide 19 - Tekstslide

GGO
Jantje koopt een gouden ketting en wil weten of de ketting van echt goud is.
Hij weegt de ketting en deze heeft een massa van 116 gram.
Via de onderdompelingmethode heeft hij bepaald dat het volume 6 cm3 is.

Formule:
m = V • ρ                         V = m / ρ                     ρ = m / V

Slide 20 - Tekstslide

Bereken de ρ

1) 273 g  -  26 cm3 
2) 249 g  - 15 cm3 
3) 462 g  - 44 cm
4) 630 g   - 60 cm3 
5) 498 g   - 30 cm3

Slide 21 - Tekstslide

Diagram
Geef de meetresultaten aan in een diagram zoals deze. 

Slide 22 - Tekstslide

Vragen
a) Beredeneer welke voorwerpen van dezelfde stof kunnen zijn.

b) Toon aan of een of meerdere voorwerpen van zilver zijn.

Slide 23 - Tekstslide

Opdrachten uit je boek om extra te oefenen.
opgave paragraaf 2.1: 3, 4, 6, 10, 14, 16, 20
opgave paragraaf 2.2 : 32, 34, 36 t/m 40, 42, 44, 45, 48, 51

Slide 24 - Tekstslide