In deze les zitten 14 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.
Lesduur is: 90 min
Onderdelen in deze les
Netwerken
Slide 1 - Tekstslide
Leerdoelen
Je kunt je eigen netwerk in kaart brengen;
Je kunt uitleggen hoe je jouw netwerk kan vergroten;
Je kunt je netwerk strategisch inzetten om doelen te bereiken
Slide 2 - Tekstslide
Netwerken, wat gok je dat het is? of weet je er al vanaf?
Slide 3 - Woordweb
Netwerken is.....
Een groep mensen of organisaties die met elkaar verbonden is en/of samenwerkt.
Het aangaan en onderhouden van relaties die op de een of andere manier betekenis kunnen hebben voor een individu, een groep of systeem.
Slide 4 - Tekstslide
Netwerken is handig voor ...?
A
Ambtenaren
B
Ondernemers
C
Studenten
D
Zakenmensen
Slide 5 - Quizvraag
Netwerken - waarom zou je?
Kennismaken met elkaar en de doelen en werkwijzen van de verschillende organisaties in het netwerk;
Delen van kennis, informatie en contacten;
Met elkaar nadenken over doelen en uitvoering van het werk;
Met elkaar activiteiten ontwikkelen ten bate van het werk;
Het dienen van persoonlijke of maatschappelijke doelen.
Slide 6 - Tekstslide
Netwerk onderhouden
Zorg voor regelmatig contact met jouw netwerk.
Zorg dat jouw netwerk betrouwbaar is.
Het is niet alleen nemen maar ook geven!
Slide 7 - Tekstslide
Stel je moet een kast verplaatsen die te zwaar is voor jou alleen. Wie vraag je om hulp?
Slide 8 - Woordweb
Digitale Netwerken
Facebook
Instagram
Twitter
Snapchat
Whatsapp
Linkedin
Pinterest
Google+
Teams
Slide 9 - Tekstslide
Jouw netwerk
Er wordt wel eens gezegd dat je ieder mens kunt bereiken binnen zes handdrukken
of dat ieder mens tussen de 100 en 200 personen in zijn netwerk heeft.
Mensen om je heen waar je op terug kan vallen of die jou verder kunnen brengen.
Slide 10 - Tekstslide
Je weet niet wat je moet doen voor school. Aan wie zou jij vragen wat het huiswerk is?
Slide 11 - Woordweb
Stel je moet een verslag maken - en je merkt dat het je niet lukt. Wie vraag je om hulp?
Slide 12 - Woordweb
Je zoekt een baantje bij een horecabedrijf. Bij wie klop je aan?
Slide 13 - Woordweb
Stap 1: pak een vel papier en schrijf in het midden 'IK’. Van daaruit maak je de verbindingen met mensen die jij kent. Schrijf hun naam op.
Denk aan familie, vrienden en kennissen, buren. Maar ook aan mensen die je ziet vanwege boodschappen, je bankrekening, je oud-docenten en -mentoren, medestudenten, mensen die je op vakantie hebt ontmoet, mensen via vrije tijd besteding en vrijwilligerswerk, uitgaan, enzovoort.
Stap 2: schrijf onder hun naam op waar ze werken. (Dat zijn bedrijven waar je contact mee kunt hebben.)
Al die mensen kennen ook weer mensen. Probeer die verbinding ook in te vullen.
(Je mag verschillende kleuren gebruiken.)
Stap 3: Schrijf bij je eigen naam wat jij anderen kan bieden.