Optellen en aftrekken tot 100

Rekenen met tientallen en eenheden

1 / 27
volgende
Slide 1: Slide
newEditorTechniekVoortgezet speciaal onderwijsLeerroute 3

In deze les zitten 27 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Rekenen met tientallen en eenheden

Deze les gaat over optellen en aftrekken tussen 20 en 100 zonder tientaloverschrijding. Houd de taal eenvoudig en werk steeds met herkenbare voorbeelden.

Lesdoel

Ik kan optellen en aftrekken met tientallen en/of eenheden tussen 20 en 100, zonder over een tiental te gaan.

Deze slide heeft geen instructies

Welke rekensommen met tientallen of eenheden ken jij al?

Gebruik de woorden uit de wolk als start: laat leerlingen voorbeelden noemen zoals 34 + 20 of 56 - 4. Zo activeer je voorkennis over tientallen en eenheden.

Tientallen en eenheden

  • Een getal heeft tientallen en eenheden.

  • Bij 46 zijn er 4 tientallen en 6 eenheden.

  • 4 tientallen = 40

  • 6 eenheden = 6

  • Samen: 40 + 6 = 46

Leg eventueel met blokjes, geld of MAB-materiaal uit: een staaf is 10, losse blokjes zijn 1.

Zo lees je een getal

  • 28 = 20 en 8

  • 53 = 50 en 3

  • 70 = 7 tientallen en 0 eenheden

  • Kijk altijd eerst: wat is het tiental? wat is de eenheid?

Benadruk dat 70 geen losse eenheden heeft. Dat helpt straks bij sommen met tientallen.

Optellen met tientallen

  • Bij tientallen tel je 10, 20, 30 erbij.

  • Voorbeeld: 34 + 20 = 54

  • Het tiental verandert: 30 wordt 50.

  • De eenheid blijft gelijk: 4 blijft 4.

Laat leerlingen zien dat je alleen naar de tientallen kijkt als je een heel tiental erbij optelt.

Aftrekken met tientallen

  • Bij tientallen haal je 10, 20, 30 eraf.

  • Voorbeeld: 67 - 20 = 47

  • Het tiental verandert: 60 wordt 40.

  • De eenheid blijft gelijk: 7 blijft 7.

Deze slide heeft geen instructies

Sprongen van 10

  • Op een getallenlijn maak je sprongen van 10.

  • 42 + 30: 42 → 52 → 62 → 72

  • 85 - 20: 85 → 75 → 65

Gebruik de getallenlijn als visuele steun. Zo zien leerlingen dat ze binnen hetzelfde eenheidscijfer blijven.

Wat blijft gelijk bij 34 + 20?

A

de eenheden

B

de tientallen

C

allebei

D

geen van beide

Toetst het inzicht uit de slides over optellen en aftrekken met tientallen: bij hele tientallen verandert alleen het tiental.

Vul de juiste woorden in

Bij 42 + 30 maak je sprongen van 10 op de getallenlijn. Het tiental verandert, maar de eenheid blijft gelijk.

10
tiental
eenheid
1
100
optellen
eenheden
getal

De drie kernwoorden komen letterlijk uit dit blok: sprongen van 10, tiental verandert, eenheid blijft gelijk.

Optellen met eenheden

  • Bij eenheden tel je losse getallen erbij.

  • Voorbeeld: 41 + 7 = 48

  • Het tiental blijft gelijk: 40 blijft 40.

  • De eenheid verandert: 1 wordt 8.

  • Je gaat niet over het volgende tiental.

Kies voorbeelden waarbij de eenheden samen kleiner blijven dan 10, zoals 41 + 7 en 52 + 3.

Aftrekken met eenheden

  • Bij eenheden haal je losse getallen eraf.

  • Voorbeeld: 56 - 4 = 52

  • Het tiental blijft gelijk: 50 blijft 50.

  • De eenheid verandert: 6 wordt 2.

  • Je blijft in hetzelfde tiental.

Deze slide heeft geen instructies

Kijk naar de eenheden

  • 63 + 5 = 68 kan.

  • 63 + 8 gaat over het tiental en hoort niet bij deze les.

  • 74 - 2 = 72 kan.

  • 74 - 6 blijft ook in hetzelfde tiental.

Maak het onderscheid heel duidelijk: zonder tientaloverschrijding betekent dat je niet naar het volgende of vorige tiental gaat.

Eerst goed kijken

Bij elke som kijk je eerst:

  • Is het optellen of aftrekken?

  • Werk je met tientallen of eenheden?

  • Blijft het getal in hetzelfde tiental?

  • Dan reken je stap voor stap.

Deze slide bundelt de aanpak. Gebruik steeds dezelfde woorden: tientallen, eenheden, hetzelfde tiental.

Welke som past bij deze les?

A

63 + 8

B

56 - 9

C

41 + 7

D

38 + 5

Alleen 41 + 7 blijft binnen hetzelfde tiental. De andere opties gaan over een tiental heen.

Waar kijk jij eerst naar bij een som?

1

optellen/aftrekken

2

tientallen

3

eenheden

4

hetzelfde tiental

Deze slide heeft geen instructies

Sommen met tientallen en eenheden

  • Soms tel je tientallen en eenheden bij elkaar op.

  • Voorbeeld: 32 + 24

  • Eerst tientallen: 32 + 20 = 52

  • Dan eenheden: 52 + 4 = 56

Kies alleen voorbeelden zonder tientaloverschrijding in de tweede stap. Hier blijft 52 + 4 netjes binnen hetzelfde tiental.

Aftrekken in twee stappen

  • Voorbeeld: 78 - 23

  • Eerst tientallen: 78 - 20 = 58

  • Dan eenheden: 58 - 3 = 55

  • Zo houd je overzicht.

Benadruk dat ook hier de tweede stap geen tientaloverschrijding heeft.

Handige aanpak

  • Splits het getal.

  • Reken eerst met de tientallen.

  • Reken daarna met de eenheden.

  • Controleer: blijf je onder 100 en in hetzelfde tiental?

Noem hardop de denkwijze: splitsen geeft rust en voorkomt fouten.

Voorbeelden naast elkaar

  • 45 + 12 = 57

45 + 10 = 55, 55 + 2 = 57

  • 69 - 11 = 58

69 - 10 = 59, 59 - 1 = 58

Gebruik deze voorbeelden om de structuur te herhalen: eerst het tiental, dan de eenheid.

Zo controleer je je antwoord

  • Kijk of de uitkomst logisch is.

  • Bij optellen wordt het getal groter.

  • Bij aftrekken wordt het getal kleiner.

  • De eenheden mogen niet over het tiental heen gaan.

Een snelle schatting helpt: 45 + 12 moet meer zijn dan 45, maar niet ineens 80.

Wat doe je eerst bij 32 + 24?

A

+ 4

B

+ 20

C

- 20

D

- 4

Sluit aan bij de uitleg: eerst splitsen en rekenen met de tientallen, daarna met de eenheden.

Vul de stappen in

Bij 78 - 23 reken je in twee stappen. Eerst haal je 20 eraf en krijg je 58. Daarna haal je 3 eraf en blijft 55 over.

20
58
3
10
25
68
2
30

De volgorde van de stappen is belangrijk: eerst tientallen, dan eenheden.

Wat heb jij geleerd in deze les?

Laat leerlingen in eigen woorden noemen wat ze hebben geleerd, bijvoorbeeld: eerst naar tientallen of eenheden kijken, in twee stappen rekenen, of niet over het tiental gaan.

Wat hielp jou het best bij rekenen?

Mogelijke antwoorden: de getallenlijn, splitsen, eerst tientallen doen, voorbeelden stap voor stap. Bespreek kort wat steun gaf.

Wat vond jij nog lastig?

Verwachte thema's: eenheden goed bekijken, niet over het tiental gaan, kiezen tussen optellen en aftrekken, of sommen in twee stappen.

Woordenlijst

tiental - een groep van 10

eenheid - 1 los getal

splitsen - een getal verdelen in tientallen en eenheden

optellen - erbij doen

aftrekken - eraf halen

getallenlijn - lijn met getallen op volgorde

tientaloverschrijding - over het volgende of vorige tiental gaan

Deze slide heeft geen instructies