10.1 Krachten

Wat is de eenheid van kracht?
timer
0:30
A
Newton
B
Kilogram
C
Newton per vierkante meter
D
Watt
1 / 32
volgende
Slide 1: Quizvraag
NatuurkundeMiddelbare schoolvmbo kLeerjaar 4

In deze les zitten 32 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 3 videos.

time-iconLesduur is: 45 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Wat is de eenheid van kracht?
timer
0:30
A
Newton
B
Kilogram
C
Newton per vierkante meter
D
Watt

Slide 1 - Quizvraag

Aan een veerunster hangt een blokje. Je ziet een afbeelding van de schaalverdeling van de veerunster met aanwijzing.
timer
0:30
A
1,05 N
B
1,15 N
C
1,25 N

Slide 2 - Quizvraag

Noteer 3 soorten krachten.
timer
1:00

Slide 3 - Open vraag

Bij een proef hang je een veer op aan een statief. Je hebt drie gelijke gewichtjes. Als je één gewichtje aan de veer hangt, rekt de veer 3 cm uit.
Als je alle drie de gewichtjes aan de veer hangt, rekt de veer ....
cm uit.
timer
0:30
A
6
B
9
C
12
D
3

Slide 4 - Quizvraag

timer
1:00
ton
mg
kg
g

Slide 5 - Sleepvraag

Wat is geen hefboom?
timer
0:30
A
schaar
B
hamer
C
tuinslang
D
notencracker

Slide 6 - Quizvraag

Sleept naar het juiste antwoord.
timer
1:00
12 kg =
12 ton =
12 mg =
12 g =
12000 g
12000 kg
0,012 g
0,012 kg

Slide 7 - Sleepvraag

Wat voor soort hefboom is dit?
timer
0:30
A
Een dubbele hefboom
B
Een enkele hefboom

Slide 8 - Quizvraag

De Cancrusher maakt gebruik van een hefboom. Door het handvat van deze hefboom naar beneden te bewegen wordt het blikje in elkaar geperst.
Wat is het draaipunt van deze hefboom?

timer
0:30
A
Punt A
B
Punt B
C
Punt C

Slide 9 - Quizvraag

Rekenen met de formule: Fz = m x g
Bereken de zwaartekracht van iemand van 65 kilo op aarde.
Gegevens:
Formule:
Berekening
Gevraagd:
Check:
timer
3:00
Fz = 65 x 10
Fz = m x g 
g = 10
Fz = 650 N
m = 65 kg
Fz in Newton
g = 2,6
Fz = 65 kg

Slide 10 - Sleepvraag

10.1 Krachten
10.1.1 Je kunt beschrijven welke effecten krachten op een voorwerp kunnen hebben.
10.1.2 Je kunt de grootte van een kracht meten met een geschikte krachtmeter.
10.1.3 Je kunt een kracht tekenen als een vector, volgens een gegeven krachtenschaal.
10.1.4 Je kunt de krachten benoemen die in een gegeven situatie op een voorwerp werken.
10.1.5 Je kunt de zwaartekracht berekenen die op een voorwerpt werkt.
10.1.6 Je kunt beredeneren of twee magnetische voorwerpen elkaar aantrekken of afstoten.
10.1.7 Je kunt beredeneren of twee elektrisch geladen voorwerpen elkaar aantrekken of afstoten.

Slide 11 - Tekstslide

De effecten van krachten


Krachten zorgen voor:
- een verandering in snelheid
- een verandering in richting
-een verandering in vorm
Dit noem je de uitwerkingen van een kracht

Slide 12 - Tekstslide

Soorten krachten

Spierkracht: 

fietsen of gewichtheffen 

Slide 13 - Tekstslide

Zwaartekracht

de aarde trekt aan alle dieren, mensen en voorwerpen

9,8 Newton per kg

Slide 14 - Tekstslide

Spankracht

- strakgespannen touw, kabel of ketting
- tillen, trekken, takelen of spullen op hun plaats houden

Slide 15 - Tekstslide

Wrijvingskracht

- 2 oppervlakken die over elkaar schuiven
- handig bij schaatsen
- niet handig bij het verschuiven van de bank

Slide 16 - Tekstslide

Magnetische kracht

- ijzer, nikkel en staal
- magneet heeft een noordpool en een zuidpool
- kompas of elektromotor
- rondom een magneet is er een magneetveld, deze wordt zichtbaar bij het strooien van ijzerpoeder, dan zie je een patroon van veldlijnen

Slide 17 - Tekstslide

Elektrische kracht

- een ballon over je haar wrijven 
- Een positief en negatief geladen voorwerp trekken elkaar aan. 
- positief en positief, negatief en negatief stoten elkaar af


Slide 18 - Tekstslide

Kracht meten
Krachtmeter of veerunster
dunne veer = kleine kracht
dikke veer = grote kracht

Let op! schaalverdeling gaat van boven naar beneden

Slide 19 - Tekstslide

Slide 20 - Video

Krachtsensor
digitale krachtmeter

Kan ook een weegschaal zijn, deze zet zwaartekracht om in massa (gewicht)

Slide 21 - Tekstslide

Krachten tekenen
Krachten tekenen we met een pijl (vector)
Er zijn drie aandachtspunten:
- aangrijpingspunt, dit is waar de kracht begint
- de richting van de kracht
- de grootte van de krachtpijl

Slide 22 - Tekstslide

Krachtenschaal
Komt overeen met

Slide 23 - Tekstslide

Slide 24 - Video

Slide 25 - Video

Zwaartekracht
Op een boek dat op een tafel ligt, werkt de zwaartekracht. 
Op een boek dat van een tafel valt, werkt ook de zwaartekracht. 
Op alle voorwerpen, mensen, dieren en planten op aarde werkt de zwaartekracht.
De zwaartekracht werkt altijd recht naar beneden. 
Het symbool voor zwaartekracht is Fz
De z staat voor zwaartekracht.

Net zoals andere krachten geef je zwaartekracht aan in newton.

Slide 26 - Tekstslide

Zwaartekracht
Als je de massa van een voorwerp weet, kun je de zwaartekracht berekenen. Daarvoor gebruik je de formule:

zwaartekracht = massa × 10
Fz = m x g

Je moet de massa invullen in kilogram (kg). 
Als de massa gegeven is in gram (g), 
moet je de massa eerst omrekenen naar kg.                                   

  • 1000 g = 1 kg

Slide 27 - Tekstslide

Voorbeeldopdracht 1
Een courgette heeft een massa van 550 g.
Bereken hoe groot de zwaartekracht is die op de courgette werkt.
Gegevens
massa = 550 g = 0,550 kg (delen door 1000)


Gevraagd
zwaartekracht = ? N


  • Uitwerking
  • zwaartekracht = massa × 10
  • zwaartekracht = 0,550 × 10 = 5,50 N
  • De zwaartekracht op de courgette is dus 5,50 N

Slide 28 - Tekstslide

Massa
Als je op een weegschaal gaat staan, geeft de weegschaal je massa aan in kilogrammen. 
In de weegschaal zit een veer of een krachtsensor. 
De weegschaal is dus een krachtmeter, die aangeeft hoe groot de zwaartekracht is die op je werkt.

De weegschaal rekent de zwaartekracht om naar massa.
massa = zwaartekracht : 10

Slide 29 - Tekstslide

Voorbeeldopdracht 2
Jason staat op een weegschaal. De weegschaal meet dat er een zwaartekracht van 660 N op Jason werkt.
Bereken hoe groot de massa van Jason is.
gegevens:
zwaartekracht = 660 N

gevraagd:
massa = ? kg


  • Uitwerking
  • massa = zwaartekracht : 10
  • massa = 660 : 10 = 66 kg
  • De massa van Jason is dus 66 kg.

Slide 30 - Tekstslide

Slide 31 - Tekstslide

Slide 32 - Tekstslide