TaalCompleet Thema 1 Verhuizen - les 1.3 en 1.4
TaalCompleet Thema 1 Verhuizen - les 1.3 en 1.4
Deze slide heeft geen instructies
Wat gaan we doen?
Les 1: Nederlands
Dictee woordenschat
TaalCompleet 1.3: Dit is, dat is, dit zijn en dat zijn
TaalCompleet 1.4: Tekst lezen 'Huiswerk maken'
Les 2: Mentoruur
Loopbaanoriëntatie- en begeleiding les 1
Ontwikkelplan invullen
Deze slide heeft geen instructies
Na deze les:
kan ik iemand voorstellen met dit is, dat is, dit zijn en dat zijn.
Deze slide heeft geen instructies
Hoe stel je iemand voor?
Voorstellen: iets of iemand laten zien of noemen
Deze slide heeft geen instructies
Wanneer gebruik je dit?
Dit gebruik je voor iets of iemand dichtbij.
Voorbeelden:
Dit is onze zoon.
Dit is mijn tas.
Deze slide heeft geen instructies
Wanneer gebruik je dat?
Dat gebruik je voor iets of iemand verder weg.
Voorbeelden:
Dat is onze zoon.
Dat is mijn fiets.
Deze slide heeft geen instructies
Dit en dat: het verschil
Kijk eerst naar de afstand.
dit = dichtbij
dat = ver weg
Je gebruikt dit en dat bij enkelvoud en bij meervoud.
Deze slide heeft geen instructies
Deze slide heeft geen instructies
Enkelvoud: is
Bij één persoon of één ding gebruik je is.
Dit is Samira.
Dat is mijn boek.
Noem expliciet de term enkelvoud, maar ondersteun steeds met concrete voorbeelden.
Meervoud: zijn
Als iets dichtbij is en het is meervoud, dan gebruik je:
Dit zijn leerlingen uit mijn klas.
Als iets ver weg is en het is meervoud, dan gebruik je:
Dat zijn mijn sleutels.
Verbind hier beide keuzes: dichtbij + meer dan één.
Aan de slag
Maak opdracht 22 en 23 op blz. 13 en 14.
Als je klaar bent, dan lees je tekst 26 op blz. 14 en de tips op blz. 15.
minute
second
Deze slide heeft geen instructies
Huiswerk voor morgen
1.3 Boekopdrachten en computeropdracht
Deze slide heeft geen instructies