Populaties en genetische variatie (Biologie vwo), les 3: Terugblik quiz

POPULATIE · GENETISCHE VARIATIE

Quiz

Terugblik: Populaties en genetische variatie

1 / 13
volgende
Slide 1: Slide
newEditorBiologieMiddelbare schoolvwoLeerjaar 4-6

In deze les zitten 13 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 30 min
Dit is niet oké

Introductie

Terugblik met tien vragen over frequenties in de ruimte, populatie, allelfrequentie, Hardy-Weinberg-evenwicht, gene flow, genetic drift, het dominante fenotype, de rangorde van allel tot soort, mutatie en convergentie.

Onderdelen in deze les

POPULATIE · GENETISCHE VARIATIE

Quiz

Terugblik: Populaties en genetische variatie

Les 3 van 3. Leerlingen beantwoorden individueel; bespreek na elke paar vragen kort de antwoorden. Image credit: Rasheedhrasheed / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0

Vlinders hebben in dal A vaak donkere vleugels en in dal B zelden. Wat zie je?

A

De allelfrequentie is zeker overal gelijk

B

De vlinders zijn twee verschillende soorten

C

Het is een emergente eigenschap van één vlinder

D

De fenotypefrequentie verschilt in de ruimte

Het aandeel donkere vlinders verschilt tussen de dalen: een fenotypefrequentie die in de ruimte verschilt. Verwachte fout: twee soorten kiezen; dat kun je hieruit niet afleiden.

Vul in

In een populatie leven individuen van één soort in hetzelfde gebied, met onderlinge voortplanting.

populatie
gebied
genenpool
klimaat

Populatie en gebied. Verwachte fout: genenpool invullen; de genenpool is alle allelen van de populatie, niet de groep zelf.

Wat is de allelfrequentie van allel A in een populatie?

A

Het aandeel van allel A in de genenpool

B

Het aandeel individuen met genotype AA

C

Het aantal individuen met allel A

D

Het aandeel individuen met fenotype A

De allelfrequentie gaat over allelen in de genenpool, niet over individuen. Verwachte fout: de genotypefrequentie van AA kiezen.

Een populatie heeft 0,40 AA, 0,40 Aa, 0,20 aa. Is dit Hardy-Weinberg-evenwicht?

A

Ja: de frequenties tellen op tot 1

B

Ja: AA en Aa zijn even groot

C

Nee: bij p = 0,6 verwacht je 0,36 AA

D

Nee: aa moet gelijk zijn aan 0,25

p = 0,40 + 0,20 = 0,60 en q = 0,40. Verwacht in evenwicht: AA 0,36, Aa 0,48 en aa 0,16. De waargenomen waarden wijken af. Verwachte fout: ja kiezen omdat de som 1 is; dat geldt voor elke verdeling.

Twee even grote populaties mengen door gene flow. A was 0,2 en 0,8. Wat wordt A?

A

0,4

B

0,6

C

0,5

D

1,0

Bij even grote populaties is de nieuwe frequentie het gemiddelde: (0,2 + 0,8) : 2 = 0,5. Controle: een gewogen gemiddelde ligt tussen 0,2 en 0,8. Verwachte fout: 1,0 kiezen door op te tellen.

Welke uitspraak over genetic drift klopt?

A

Toevallige verandering, vooral in kleine populaties

B

Verandering door toeval, vooral in grote populaties

C

Verandering door allelen uit andere populaties

D

Verandering doordat nadelige allelen verdwijnen

Drift is een toevalsproces dat het sterkst werkt in kleine populaties. Verwachte fout: allelen uit andere populaties noemen; dat is gene flow.

Bij willekeurige paring is q = 0,3. Welk deel heeft het dominante fenotype?

A

0,09

B

0,42

C

0,70

D

0,91

q² = 0,09 is aa. Het dominante fenotype is AA en Aa: 1 - 0,09 = 0,91. Controle: p = 0,7, p² = 0,49 en 2pq = 0,42, samen 0,91. Verwachte fout: 0,09 (alleen aa), 0,42 (alleen Aa) of 0,70 (p).

Zet van klein naar groot

1

Allel

2

Genotype

3

Soort

4

Populatie

Een genotype bestaat uit twee allelen, een populatie uit individuen met een genotype, en een soort uit meerdere populaties. Verwachte fout: populatie en soort verwisselen.

Waarom verandert een mutatie de allelfrequentie maar langzaam?

A

Mutaties verdwijnen na één generatie weer

B

Een nieuwe mutatie komt zelden voor

C

Mutaties veranderen alleen het fenotype

D

Mutaties komen alleen in grote populaties voor

Een mutatie is zeldzaam, dus de allelfrequentie verandert er per generatie weinig door. Verwachte fout: denken dat mutaties alleen het fenotype veranderen; ze veranderen het DNA.

Welk begrip past bij populaties die genetisch steeds meer op elkaar gaan lijken?

A

Convergentie

B

Divergentie

C

Stichtereffect

D

Flessenhalseffect

Door gene flow gaan populaties genetisch meer op elkaar lijken: convergentie. Verwachte fout: divergentie kiezen, het omgekeerde.

Hoe zeker voel je je over dit onderwerp?

1

Heel zeker

2

Redelijk zeker

3

Niet zo zeker

4

Helemaal niet zeker

Gebruik de uitslag om te bepalen of je een onderdeel herhaalt.

POPULATIE · GENETISCHE VARIATIE

Goed gedaan!

Goed gedaan. Je kunt nu uitleggen hoe de variatie in een populatie verandert door mutatie, genetic drift, gene flow, isolatie, het flessenhalseffect en het stichtereffect, en met de regel van Hardy-Weinberg frequenties berekenen.

Deze slide heeft geen instructies