Mutatie, recombinatie en genetische variatie (Biologie vwo), les 3: Terugblik quiz

SELECTIE · MUTATIE, VARIATIE

Quiz

Terugblik: Mutatie, recombinatie en genetische variatie

1 / 14
volgende
Slide 1: Slide
newEditorBiologieMiddelbare schoolvwoLeerjaar 4-6

In deze les zitten 14 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 30 min
Dit is niet oké

Introductie

Terugblik met twaalf vragen over genoom en allelen, mutagene stoffen, overlevingskans, homologe chromosomen, haplotypen, genenpool, variatie, genetische modificatie en mutatietypen.

Onderdelen in deze les

SELECTIE · MUTATIE, VARIATIE

Quiz

Terugblik: Mutatie, recombinatie en genetische variatie

Les 3 van 3. Leerlingen beantwoorden individueel; bespreek na elke paar vragen kort de antwoorden. Image credit: Diego Delso / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0

Vul in

Het complete DNA van een organisme heet het genoom. Verschillende varianten van hetzelfde gen heten allelen.

genoom
allelen
genotype
chromosomen

Het genoom is al het DNA van een organisme, allelen zijn varianten van een gen. Verwachte fout: genotype invullen bij de tweede open plek.

Welke van deze oorzaken van mutaties is een mutagene stof?

A

Teerstoffen in tabaksrook

B

Röntgenstraling

C

UV-straling van de zon

D

Radioactieve straling

Teerstoffen zijn een mutagene stof, de andere drie zijn mutagene straling. Verwachte fout: straling kiezen omdat het ook mutaties veroorzaakt.

Een mutatie maakt vlinders donker. Wanneer vergroot dit de overlevingskans?

A

Altijd, want een mutatie is een aanpassing

B

Nooit, want mutaties schaden meestal

C

Als donkere vlinders in dat milieu minder opvallen

D

Alleen als het donkere allel dominant is

Of een mutatie de overlevingskans vergroot hangt af van het milieu: in een donker milieu vallen donkere vlinders minder op. Verwachte fout: denken dat een mutatie altijd gunstig of altijd ongunstig is.

Wat noem je homologe chromosomen?

A

Twee chromatiden van één chromosoom

B

Een paar met dezelfde genen, één van elke ouder

C

Twee chromosomen met precies dezelfde allelen

D

Een autosoom en een geslachtschromosoom

Homologe chromosomen hebben dezelfde genen, maar kunnen verschillende allelen hebben. Verwachte fout: chromatiden of identieke allelen noemen.

Hoeveel autosomen heeft een menselijke cel?

Goed: 44 (22 paar). Het totaal is 46, waarvan 2 geslachtschromosomen. Verwachte fout: 46 of 22 noemen.

Wat is een haplotype?

A

Het aantal chromosomen in een geslachtscel

B

Twee allelen van hetzelfde gen in één cel

C

Alle genen in het genoom van een organisme

D

De combinatie van allelen op één chromosoom van een gameet

Een haplotype is de combinatie van allelen op één chromosoom van een geslachtscel. Verwachte fout: het aantal chromosomen of het genotype noemen.

Wat is het verschil tussen recombinatie en mutatie?

A

Recombinatie verandert de basenvolgorde, mutatie niet

B

Recombinatie ontstaat door straling, mutatie door meiose

C

Recombinatie komt in alle cellen voor, mutatie niet

D

Recombinatie combineert allelen, mutatie maakt nieuwe

Mutatie maakt nieuwe allelen, recombinatie zorgt voor nieuwe combinaties van bestaande allelen. Verwachte fout: de rollen omdraaien.

Wat vormt samen de genenpool van een populatie?

A

Alle genen in één lichaamscel

B

Alle allelen van alle individuen

C

Alle chromosomen van één individu

D

Alle fenotypen in de populatie

De genenpool is het geheel van allelen in de populatie. Verwachte fout: het genoom van één individu kiezen.

Waarom verschillen niet-eeneiige broers en zussen genetisch van elkaar?

A

Bij elke bevruchting treedt een nieuwe mutatie op

B

Ouders geven elk kind een ander aantal chromosomen

C

Elke geslachtscel heeft een unieke combinatie van allelen

D

Kinderen erven alle chromosomen van één ouder

Door de verdeling van chromosomen en crossing-over bij meiose heeft elke geslachtscel een unieke combinatie van allelen. Verwachte fout: een nieuwe mutatie per bevruchting aanwijzen.

Zet op volgorde: insuline maken met bacteriën.

1

Het plasmide gaat een bacterie in

2

Het gen wordt in een plasmide ingebouwd

3

De bacterie deelt en maakt insuline

4

Het insulinegen wordt uit menselijk DNA geknipt

Eerst knippen, dan inbouwen in een plasmide, dan de bacterie binnenbrengen, daarna deelt de bacterie en maakt insuline. Verwachte fout: het plasmide in de bacterie zetten voor het gen erin zit.

Vul in

Een deletie haalt basen uit een gen weg, een insertie voegt basen toe en een puntmutatie vervangt één base.

deletie
insertie
puntmutatie
genoommutatie
leesraamverschuiving

Deletie is weghalen, insertie is toevoegen, puntmutatie is vervangen. Verwachte fout: leesraamverschuiving invullen, dat is een gevolg van een deletie of insertie van een niet-drievoud.

Hoe zeker voel je je over dit onderwerp?

1

Heel zeker

2

Redelijk zeker

3

Niet zo zeker

4

Helemaal niet zeker

Gebruik de uitslag om te bepalen of je een onderdeel herhaalt.

SELECTIE · MUTATIE, VARIATIE

Goed gedaan!

Je kunt nu uitleggen hoe mutatie en recombinatie genetische variatie veroorzaken, mutaties en genetische modificatie herkennen en beoordelen.

Deze slide heeft geen instructies