Erfelijkheid en kruisingen (Biologie vmbo), les 2: Examentraining

ERFELIJKHEID · KRUISINGEN

Examentraining

Erfelijkheid en kruisingen: zo pak je examenvragen aan

1 / 17
volgende
Slide 1: Slide
newEditorBiologieMiddelbare schoolvmbo g, tLeerjaar 3,4

In deze les zitten 17 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min
Dit is niet oké

Introductie

Examentraining met vier vraagtypen: chromosomen en geslacht, kruisen en kans, een stamboom lezen, en intermediair en onderzoek. Acht vragen, drie met een tekening. Alleen voor GL/TL.

Onderdelen in deze les

ERFELIJKHEID · KRUISINGEN

Examentraining

Erfelijkheid en kruisingen: zo pak je examenvragen aan

Les 2 van 3. Laat leerlingen in tweetallen overleggen bij de open vragen. Image credit: Eigen tekening

ERFELIJKHEID · KRUISINGEN

Wat ga je kunnen?

Ik kan met een kruisingsschema en een stamboom de kans op een eigenschap bepalen.

Deze slide heeft geen instructies

ERFELIJKHEID · KRUISINGEN

Zo pak je een examenvraag aan

  • 1. Lees: welk gen is dominant en wat is gegeven?

  • 2. Schrijf: zet de genotypes van de ouders op papier.

  • 3. Teken: maak het kruisingsschema of lees de stamboom.

  • 4. Reken: tel de vakjes en geef de kans als breuk of procent.

Deze slide heeft geen instructies

ERFELIJKHEID · KRUISINGEN

Vraagtype 1: chromosomen en geslacht

  • Een cel bestaat uit een celkern, chromosomen en genen.

  • Zoek in de vraag welke geslachtscellen samensmelten.

  • Een eicel heeft een X. Een zaadcel heeft een X of een Y.

  • Voorbeeld: X + X geeft een meisje, X + Y geeft een jongen.

Deze slide heeft geen instructies

Zet op volgorde, van groot naar klein

1

Chromosoom

2

Celkern

3

Cel

4

Gen

Cel, celkern, chromosoom, gen. Verwachte fout: het gen voor het chromosoom zetten.

Een zaadcel met een Y smelt samen met een eicel. Wat wordt het kind?

A

Een meisje, met chromosomen XX

B

Een jongen, met chromosomen XY

C

Een jongen, met chromosomen YY

D

Een meisje, met chromosomen XY

De eicel levert een X, de zaadcel een Y: XY is een jongen. Verwachte fout: denken dat de eicel een Y kan hebben.

ERFELIJKHEID · KRUISINGEN

Vraagtype 2: kruisen en kans

  • Schrijf eerst de genotypes van de ouders op.

  • Schrijf dan de geslachtscellen van elke ouder op.

  • Vul het schema in: elk vakje is even waarschijnlijk.

  • Voorbeeld: Zz x Zz geeft ZZ, Zz, Zz en zz.

Deze slide heeft geen instructies

Kk x kk, K is dominant. Kans op kk, in %?

Kk geeft K en k, kk geeft alleen k. De nakomelingen zijn Kk, Kk, kk en kk: 2 van de 4 is kk, dus 50%. Verwachte fout: 25% antwoorden, uit gewoonte van Kk x Kk.

Kruising AA x Aa. Welk genotype past bij het vraagteken?

A

Aa

B

AA

C

aa

D

A

Boven staat A van de ouder AA, links staat a van de ouder Aa. Samen geeft dat Aa. Verwachte fout: AA kiezen, omdat in de rij erboven AA staat. Image credit: Eigen tekening

ERFELIJKHEID · KRUISINGEN

Vraagtype 3: een stamboom lezen

  • Gekleurd is wel de aandoening, open is niet.

  • Bij een dominante aandoening heeft iedereen zonder de aandoening aa.

  • Kijk naar de kinderen van een persoon: wat hebben de kinderen gekregen?

  • Een kind zonder de aandoening heeft van elke ouder een a gekregen.

Deze slide heeft geen instructies

De aandoening is dominant. Welk genotype heeft persoon 4?

A

AA

B

Aa

C

aa

D

Dat is niet te zien

Persoon 4 heeft de aandoening niet. Bij een dominante aandoening kan dat alleen met aa. Verwachte fout: Aa kiezen, want dan zou persoon 4 de aandoening hebben. Image credit: Eigen tekening

De aandoening is dominant. Welk genotype heeft persoon 1?

A

AA

B

Aa

C

aa

D

Dat is niet te zien

Persoon 1 heeft de aandoening, dus minstens een A. Kind 4 is aa en kreeg dus een a van persoon 1. Zo is persoon 1 Aa. Verwachte fout: AA kiezen, omdat persoon 1 de aandoening heeft. Image credit: Eigen tekening

ERFELIJKHEID · KRUISINGEN

Vraagtype 4: intermediair en onderzoek

  • Bij intermediaire erfelijkheid is geen gen dominant.

  • RW heeft dus een tussenvorm, zoals roze.

  • Genetisch advies past bij een kinderwens met een erfelijke aandoening in de familie.

  • Prenataal onderzoek gebeurt vóór de geboorte.

Deze slide heeft geen instructies

RW x RW (twee roze bloemen). Welke kleuren hebben de nakomelingen?

A

Alleen roze

B

Alleen rood en wit

C

Roze en wit

D

Rood, roze en wit

RW x RW geeft RR (rood), RW (roze), RW (roze) en WW (wit). Verwachte fout: alleen roze kiezen, omdat de ouders roze zijn.

Een stel met kinderwens heeft een erfelijke aandoening in de familie. Wat helpt?

A

Een vlokkentest doen voor de zwangerschap

B

Een echo laten maken voor de zwangerschap

C

Wachten tot het kind geboren is

D

Genetisch advies vragen bij een arts

Bij een kinderwens met een erfelijke aandoening in de familie past genetisch advies. Vlokkentest en echo zijn onderzoeken tijdens de zwangerschap. Verwachte fout: een van die onderzoeken kiezen.

Welk vraagtype vind jij het lastigst?

1

Chromosomen en geslacht

2

Kruisen en kans

3

Een stamboom lezen

4

Intermediair en onderzoek

Bespreek het vraagtype met de meeste stemmen kort na met een voorbeeld op het bord.

ERFELIJKHEID · KRUISINGEN

Tips voor op het examen

  • Schrijf bij een kruising altijd eerst de genotypes van de ouders op.

  • Teken het schema: tel de vakjes die je zoekt en deel door vier.

  • Dominante aandoening: iedereen zonder de aandoening is aa. Recessieve aandoening: gezonde ouders met een kind met de aandoening zijn Aa.

  • Een zaadcel bepaalt het geslacht: X geeft een meisje, Y een jongen.

Deze slide heeft geen instructies