In deze les zitten 34 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.
Onderdelen in deze les
Slide 1 - Tekstslide
FARMACOLOGIE
11-02-2026
Cohort 2023
Slide 2 - Tekstslide
Wat is de stofnaam van dit medicijn?
A
Nexium
B
Nexium control
C
Esomeprazol
D
maagsapresistente tabletten
Slide 3 - Quizvraag
Esomeprazol is een enteric coated medicijn. Deze medicatie mag gemalen worden
A
Waar
B
Niet waar
Slide 4 - Quizvraag
Dit is een sublinguale medicatie, dit wordt opgenomen in:
A
In de spier
B
In de slijmvliezen
C
Onder de huid
D
Via de luchtwegen
Slide 5 - Quizvraag
Medicatie die de oorzaak van een ziekte aanpakken hebben een
A
Profylactische werking
B
Causale werking
C
placebo werking
D
symptomatische werking
Slide 6 - Quizvraag
Wat is cumulatie bij medicatie?
A
Je hebt meer nodig voor het zelfde effect
B
Ophoping van de medicatie
C
Je kan niet meer zonder het medicijn
D
je krijgt last van een vreemde werking
Slide 7 - Quizvraag
Bij langdurig gebruik van een hoge dosering van paracetamol heeft als bijwerking
A
Overgevoeligheid
B
Dehydratie
C
Lever en nierschade en sufheid ontstaan
Slide 8 - Quizvraag
Wat is het verschil tussen aanreiken van medicatie en toedienen van medicatie
A
bij aanreiken teken je niet af
B
bij het toedienen teken je niet af
C
bij aanreiken neemt zorgvrager het medicijn zelf in
D
bij toedienen neemt zorgvrager medicijn zelf in
Slide 9 - Quizvraag
Juiste tijd
Juiste persoon
juiste medicijn
juiste dosis
juiste toedieningswijze
Als het medicament vier keer per dag gegeven moet worden, zorg er dan voor dat het steeds op dezelfde tijd gebeurt, anders heeft het minder effec
Controleer de voor en achternaam van de zorgvrager
controleer altijd de naam van het medicament op het etiket.
Controleer zorgvuldig of de juiste dosis op het etiket vermeld is
Ga altijd goed na hoe het medicijn moet worden toegediend
Slide 10 - Sleepvraag
Coupeer medicatie wordt gegeven bij
A
tonisch clonische aanval
B
status epilepticus
C
focaal met verminderde gewaarwording
D
myocloninische aanval
Slide 11 - Quizvraag
Een cliënt weigert steeds zijn medicijnen. Mag je de medicijnen verstoppen in bijvoorbeeld de vla?
A
Ja
B
Nee
Slide 12 - Quizvraag
Transdermaal toedienen van een medicijn betekent dat het medicijn:
A
Via het rectum wordt toegediend
B
Onder de tong wordt toegediend
C
Via een injectie wordt toegediend
D
Via de huid wordt toegediend
Slide 13 - Quizvraag
Deze term beschrijft 'de reden' waarom een zorgvrager een medicijn zou moeten gebruiken.
A
Indicatie
B
Contra-indicatie
Slide 14 - Quizvraag
Slide 15 - Tekstslide
De 2 voorgaande afbeeldingen zijn voorbeelden van
A
Indicatie om een injectie te geven
B
Interventie om een injectie te geven
C
Een contra indicatie om een injectie te geven
Slide 16 - Quizvraag
Benoem 2 indicaties voor het geven van een i.m injectie
Slide 17 - Open vraag
Medicatie die over is
A
mag weggegooid bij het GFT
B
mag terug naar de apotheek
C
beide bovenstaande
D
geen van bovenstaande
Slide 18 - Quizvraag
Opname van het medicijn in de bloedbaan en eindigt met het uitscheiding van het medicijn noemen we
A
farmacokinetiek
B
farmacotherapie
C
farmacologie
Slide 19 - Quizvraag
Vrij verkrijgbare medicijnen zijn:
A
Medicijnen die je met een recept bij de apotheek moet ophalen.
B
Medicijnen die je kunt kopen bij de apotheek, drogist, supermarkt.
C
Medicijnen die de huisarts heeft voorgeschreven.
D
Medicijnen waarin vitaminen en mineralen zitten.
Slide 20 - Quizvraag
Via de mond
Onder de huid
In een spier
In een ader
Subcutaan
Intraveneus
Oraal
Intramusculair
Slide 21 - Sleepvraag
Deze medicijnvorm noemen we
A
Tablet
B
Dragee
C
Smelttablet
D
Capsule
Slide 22 - Quizvraag
Voor de Artrose gebruikt mevrouw Roos een dragee.Een dragee
A
Lost op in water
B
Valt in de dunne darm uit elkaar
C
Heeft een laagje dat niet door maagzuur wordt aangetast
D
Valt in de maag pas uit elkaar
Slide 23 - Quizvraag
Hoeveel insuline spuiten we weg voor het gebruik van een insulinepen?
A
2
B
4
C
6
D
8
Slide 24 - Quizvraag
Wat is een behandeling bij COPD?
A
Luchtwegverwijders
B
Corticosteroïden (inhalatie of tablet)
C
Eventueel antibiotica om infecties te bestrijden.
D
Alle antwoorden zijn goed
Slide 25 - Quizvraag
Een voorbeeld van Antibiotica is
A
clamoxyl
B
diazepam
C
domperidon
D
metformine
Slide 26 - Quizvraag
Ondansetron is een voorbeeld van
A
Antibiotica
B
opiaat
C
Anti emetica
D
laxantia
Slide 27 - Quizvraag
morfine en fentanyl
Sintrom
Paracetamol
Opiaten
Anticoagulantia
Analgetica
Slide 28 - Sleepvraag
Welke plek dien je een i.m injectie het veiligst toe?
A
Bovenarm
B
Bovenbeen
C
Buik
D
Bovenste buitenste bilkwadrant
Slide 29 - Quizvraag
Waarom is het het meest veilg om een i.m. injectie toe te dienen bij de BBB?
Slide 30 - Open vraag
Een collega geeft per ongeluk een dubbele dosis van een opioïd pijnstiller aan een cliënt. De arts wordt geïnformeerd, de cliënt wordt extra geobserveerd en houdt gelukkig geen blijvende schade over. Wat doe je als het gaat om medicatieveiligheid?
A
Niets doen, omdat er geen schade is ontstaan
B
Alleen in het zorgdossier noteren dat er een fout is gemaakt
C
Een MIC melding invullen, het incident vastleggen en later bespreken om ervan te leren
D
Een MIM melding invullen, omdat het om een fout van de medewerker gaat
Slide 31 - Quizvraag
Wat is de werking van insuline?
A
Regelt de glucosestofwisseling
B
Regelt de bloedglucosewaarde
C
Brandstof voor het leveren van energie
D
Een stofje uit voeding; bv. uit banaan
Slide 32 - Quizvraag
Een patiënt start met orale opioïden na een grote operatie. Welke informatie is essentieel bij de instructie aan de patiënt?
A
Dat opioïden geen invloed hebben op reactievermogen of ademhaling
B
Dat hij moet letten op sufheid, langzame ademhaling en verstopping, en dit moet melden
C
Dat hij de medicatie abrupt moet stoppen zodra de pijn iets minder wordt
D
Dat hij extra tabletten mag nemen wanneer hij wil, zolang hij pijn voelt