De Olympische winterspelen deel 2

1 / 28
volgende
Slide 1: Tekstslide
Lichamelijke opvoedingMiddelbare schoolvmboLeerjaar 1-4

In deze les zitten 28 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 6 videos.

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Thema Olympische winterspelen
- Geschiedenis olympische (winter)spelen
- De sporten
- Nederland

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 3 - Link

Deze slide heeft geen instructies

Waar worden de Olympische winterspelen in 2026 gehouden?
A
Milaan
B
Tokio
C
Londen
D
Berlijn

Slide 4 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Hoeveel spelers spelen er tegelijk bij een ijshockeywedstrijd? (inclusief keeper)
A
6 spelers
B
12 spelers
C
11 spelers
D
7 spelers

Slide 5 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Slee sporten 

Slide 6 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

De sleesporten op de Olympische spelen bestaan uit:
A
Langlaufen en geweerschieten
B
Rodelen en bobslee
C
Rodelen, bobslee en skeleton
D
Skeleton, bobslee

Slide 7 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Slide 8 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Slide 9 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Wat voor snelheden kunnen bij het bobsleeën bereikt worden?
A
+/- 80 KMPH
B
+/- 150 KMPH
C
+/- 100 KMPH
D
+/- 125 KMPH

Slide 10 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

De snelheid van een bobslee is afhankelijk van?
A
De glijders van de bobslee
B
De aerodynamica van de bobslee
C
Totale gewicht van de deelnemers en de bobslee
D
Al het bovenstaande is juist

Slide 11 - Quizvraag

Naast het aanduwen bij de start is er tijdens een bobsleewedstrijd één kracht die er voor zorgt dat de bobslee snelheid maakt, de zwaartekracht (FZ) (zie figuur 1). Deze zwaartekracht heeft een component die loodrecht op de helling staat (FZ * cos α) en een component die parallel loopt aan de helling (FZ * sin α). De normaalkracht (FN) is de kracht di loodrecht op het raakvlak met het voorwerp (in dit geval de helling) werkt. Aan de zwaartekracht zit een maximum aangezien er regels zijn verbonden aan het gewicht van de bobslee. Het maximum gewicht van de bobslee, inclusief atleten en uitrustingen, is voor de twee- en viermansbob respectievelijk 390 en 630 kg.

Om de luchtweerstand zo laag mogelijk te houden wordt er door alle bobsleeteams hard gewerkt aan de aerodynamica van de bobslee. Door de vorm van de bobslee aan te passen kan de luchtweerstand worden verminderd (net zoals bij een vliegtuig). Aan de TU Delft werd onderzoek gedaan naar de meest aerodynamische bobsleeconfiguratie [1]. Hier kwam uit dat de helm van de piloot, de spleet aan de zijkant van de bobslee en de houding van de bemanning wezenlijke invloed hadden op de aerodynamische weerstand van de bobslee (Nando Timmer, 2006). Tijdens de Olympische Spelen van Vancouver werd de Nederlandse bobslee zelfs ingesmeerd met een gladde weerstandverminderende coating.
Schaatsen

Slide 12 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 13 - Link

Deze slide heeft geen instructies

Hoeveelste werd Sanne van het hof
A
1e
B
2e
C
3e
D
5e

Slide 14 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Slide 15 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Waarom heeft een kunstschaats een kartelrand aan de voorkant?
A
Om sneller te kunnen schaatsen op rechte stukken
B
Om beter te kunnen remmen bij hoge snelheid
C
Om sprongen, afzetten en pirouettes mogelijk te maken
D
Om het ijs gladder te maken tijdens het schaatsen

Slide 16 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Slide 17 - Tekstslide

Patrick Roest en Sven Kramer

Shorttrack
In tegenstelling tot het langebaanschaatsen is de absolute tijd van een rijder niet van belang. Vier tot zes rijders starten tegelijk en de rijder die als eerste finisht wordt als winnaar aangewezen. 

Naast techniek en conditie hebben shorttrackers ook behendigheid, tactiek en acceleratievermogen nodig. 

Slide 18 - Tekstslide

Shorttrack staat bekend om spectaculaire inhaalacties, waarbij onder meer binnendoor en buitenom ingehaald wordt, vaak met de hand aan het ijs in de bochten.

Slide 19 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Skiën en snowboarden

Slide 20 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 21 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Als je valt dan kunnen je skies vanzelf uitgaan.
A
Waar
B
Niet waar

Slide 22 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Welke kleur heeft meestal de makkelijkste piste
A
groen of blauw
B
rood
C
wit
D
zwart

Slide 23 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Slide 24 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Waarom staan snowboarders met beide voeten vast op één board?
A
Om beter balans te houden tijdens het glijden
B
Om sneller te gaan
C
Omdat het stoerder is

Slide 25 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Slide 26 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat denk je dat de hoogst behaalde snelheid is die tijdens het snowboarden is gemeten?

Slide 27 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat zou jij een tof onderdeel vinden om aan deel te nemen op de Olympische winterspelen?

Slide 28 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies