BBP

Bruto Binnenlands Product
In deze Lessonup gaat het over het BBP (Bruto Binnenlands Product). Aan de orde komt hoe we het berekenen, dat dit de maatstaf is voor de welvaart (in enge zin), hoe we het reële BBP gebruiken voor de groei van een economie en het verband tussen BBP, arbeidsproductiviteit en werkgelegenheid.
1 / 27
volgende
Slide 1: Tekstslide
EconomieMiddelbare schoolhavoLeerjaar 5

In deze les zitten 27 slides, met tekstslides en 6 videos.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

Bruto Binnenlands Product
In deze Lessonup gaat het over het BBP (Bruto Binnenlands Product). Aan de orde komt hoe we het berekenen, dat dit de maatstaf is voor de welvaart (in enge zin), hoe we het reële BBP gebruiken voor de groei van een economie en het verband tussen BBP, arbeidsproductiviteit en werkgelegenheid.

Slide 1 - Tekstslide

Slide 2 - Video

Berekenen BBP

Het BBP is het totaal van de productie.

De productie berekenen we door het totaal van de toegevoegde waardes te nemen.

Bruto toegevoegde waarde bij bedrijven = waarde productie bij bedrijven = omzet – inkoop bij andere bedrijven = omzet – ingekochte grond- en hulpstoffen – diensten van derden

Slide 3 - Tekstslide

Dit bedrag wordt gebruikt om de beloningen van de productiefactoren (dit zijn kapitaal, arbeid, natuur en ondernemerschap) mee te betalen en er wordt een gedeelte afgehaald voor afschrijvingen.
Vandaar dat we de bruto toegevoegde waarde ook als volgt kunnen berekenen:

loon + huur + rente + pacht + winst + afschrijvingen


Dit bedrag wordt gebruikt om de beloningen van de productiefactoren (dit zijn kapitaal, arbeid, natuur en ondernemerschap) mee te betalen en er wordt een gedeelte afgehaald voor afschrijvingen.


Vandaar dat we de bruto toegevoegde waarde ook als volgt kunnen berekenen:

loon + huur + rente + pacht + winst + afschrijvingen

Slide 4 - Tekstslide

Slide 5 - Video


De toegevoegde waarde van de overheid kunnen we niet berekenen door van de omzet de inkoop van andere bedrijven af te halen.

De overheid verkoopt namelijk (meestal) niets.

Daarom wordt het totaal van de ambtenarensalarissen als maatstaf voor de productie / toegevoegde waarde van de overheid gebruikt.

Slide 6 - Tekstslide

Samengevat

BBP =

alle toegevoegde waardes bedrijven + ambtenarensalarissen
= totale omzet alle bedrijven – onderlinge levering bedrijven + ambtenarensalarissen
= van alle bedrijven de loonsom + huur + pacht + rente + winst + ambtenarensalarissen

Slide 7 - Tekstslide

Slide 8 - Video

Slide 9 - Video

Welvaart in enge & ruime zin

Als we het BBP berekenen door de geldwaarde van de productie te nemen (zoals hiervoor uitgelegd), berekenen we de welvaart in enge zin.

Er wordt hierbij geen rekening gehouden met factoren die we niet in geld kunnen uitdrukken, maar wel invloed hebben op de welvaart van de inwoners van een land.

Slide 10 - Tekstslide


Denk bijvoorbeeld aan negatieve externe effecten zoals milieuvervuiling. Dit lijdt tot een daling van de welvaart bij veel mensen.

Dit noemen we dan de welvaart in ruime zin.

Dit is alleen niet te meten, aangezien de (meeste) externe effecten niet in geld worden uitgedrukt. Je kunt op z’n hoogst een schatting maken of zeggen of het waarschijnlijker is dat het stijgt of daalt.

Slide 11 - Tekstslide

Herhaling externe effecten

We spreken van externe effecten als er bij de productie van een goed de volgende dingen meespelen:

- bij de productie komen onbedoelde bijproducten / effecten kijken (producten / effecten die niet het doel zijn van het oospronkelijke goed)

- deze producten / effecten beïnvloeden de welvaart van een ander dag degene die het goed consumeert.

- de eventuele (maatschappelijke) kosten die de onbedoelde bijproductie met zich meebrengt, zitten niet verwerkt in de prijs van het oorspronkelijke goed.

Slide 12 - Tekstslide

Slide 13 - Video

Slide 14 - Video

Reële BBP
Hoewel een stijging van de prijzen de productiewaarde van bedrijven zal vergroten, neemt hierdoor het aantal producten dat er gemaakt wordt niet toe. Kortom, het (nominale) BBP stijgt, terwijl de inwoners niet in meer behoefte kunnen voorzien. Dus, de welvaart stijgt hierdoor niet. Om dus de groei van de economie te kunnen bepalen, zouden we moeten kijken naar de groei van de productie.

Slide 15 - Tekstslide

We moeten dus kijken naar productievolume i.p.v. de productiewaarde. Dit doen we door de prijsstijging ‘eruit’ te halen, oftewel te kijken naar het reële BBP.

Dit doen we door de formule van de reële stijging te gebruiken:

reëel indexcijfer = nominaal indexcijfer / prijsindexcijfer x 100

(Misschien moet je nog even terug naar de Lessonup ‘indexcijfers 2’, als het nog niet helemaal duidelijk is hoe je dit ook al weer deed.)

Slide 16 - Tekstslide

Voorbeeld 1

Stel dat de stijging van het nominale BBP 4% was.

De prijzen zijn in diezelfde tijd met 1% gestegen.

Met hoeveel procent is het reële BBP toegenomen?
104 / 101 x 100 = 102,97      
102,97 – 100 = 2,97%

Slide 17 - Tekstslide

Oefenopgave 1
- omzet bedrijven: 5 mld.
- onderlinge leveringen goederen & diensten: 1 mld.
- totale loonsom: 1,5 mld.
- pacht & huur: 0,5 mld.
- rente: 0,25 mld.
- afschrijvingen: 0,15 mld.
- ambtenarensalarissen (niet in loonsom): 0,05 mld.

Slide 18 - Tekstslide

a) Hoe groot is de bruto toegevoegde waarde van de bedrijven in dit land?
b) Hoe groot is het BBP in dit land?
c) Hoe groot was de winst van de bedrijven in dit land?


Gegeven is verder dat een jaar later het BBP 4,1 mld. bedraagt. In het afgelopen jaar zijn de prijs met 1% gedaald.
d) Bereken de stijging van het reële BBP.
e) Is de welvaart in ruimte zin in dit land gestegen of gedaald? Verklaar je antwoord.

Slide 19 - Tekstslide

Uitwerking oefenopgave 1

a) 5 mld. – 1 mld. = 4 miljard


b) 4 mld. + 0,05 mld. = 4,05 miljard


c) BBP – (loon + huur + pacht + rente) – afschrijvingen

= 4,05 – 1,5 – 0,5 – 0,25 – 0,15 = 1,65 miljard

Slide 20 - Tekstslide

d) Stijging BBP  (4,1 – 4,05) / 4,05 x 100% = 1,23%
Reëel indexcijfer BBP = 101,23 / 99 x 100 = 102,26
Stijging reëel BBP = 102,26 – 100 = 2,26%


e) De welvaart in enge zin is gestegen (want dat wordt gegeven door de reële productiewaarde), maar van de welvaart in ruime zin kun je niks zeggen. Je weet niks over negatieve externe effecten.

Slide 21 - Tekstslide

Verband BBP, apt en wgh

Er geldt dat de productie gelijk is aan wat één werknemer (gemiddeld) maakt x het aantal werknemers.

Dus: productie = arbeidsproductiviteit x aantal werknemers.
Voor een heel land:

BBP = gemiddelde arbeidsproductiviteit (apt) x werkgelegenheid (wgh).
Er geldt dus ook: BBP / apt = wgh

Slide 22 - Tekstslide

Voorbeeld 2

Bij een bedrijf geldt dat de productie gelijk is aan € 800.000 per maand. De arbeidsproductiviteit is € 8.000 per maand.
Dit bedrijf heeft dus € 800.000 / € 8.000 = 100 werknemers


Door een investering neemt de apt. toe tot € 10.000 per maand.
Het bedrijf heeft nu € 800.000 / € 10.000 = 80 werknemers nodig, dus kunnen er 100 – 80 = 20 ontslagen worden.

Slide 23 - Tekstslide

Oefenopgave 2

In een land is de gemiddelde arbeidsproductiviteit gelijk aan € 25.000 per jaar. De werkgelegenheid is 12 miljoen mensen.


a) Hoe groot is het BBP in dit land?



Slide 24 - Tekstslide

Een jaar later is de arbeidsproductiviteit gestegen met 5%. Het BBP is met 2% gestegen.


b) Hoe kun je zonder een berekening te maken verklaren dat de werkgelegenheid is gedaald?


c) Bereken de procentuele daling van de werkgelegenheid.

Slide 25 - Tekstslide

Uitwerking oefenopgave 2

a) BBP = € 25.000 x 12 mln. = 300 miljard


b) De arbeidsproductiviteit is meer gestegen dan de productie. Je hebt dus minder mensen nodig.

Slide 26 - Tekstslide

c) Manier 1:

(indexcijfer BBP / indexcijfer apt.) x 100 = indexcijfer wgh.      

102 / 105 x 100 = 97,14
Werkgelegenheid dus veranderd met 97,14 – 100 = - 2,86%
Manier 2:

BBP is nu: 1,02 x 300 mld. = 306 mld.
Apt. is nu: 1,05 x 25.000 = 26.250
Werkgelegenheid = 306 mld. / 26.250 = 11.657.142,86
Dat is een verandering van: (11.657.142,86 – 12.000.000) / 12.000.000 x 100% = -2,86%

Slide 27 - Tekstslide