cross

HAVOoefentoets 2.2

Hoeveel leenmotieven zijn er?
Leerdoel 11
A
3
B
4
C
5
D
2
1 / 25
volgende
Slide 1: Quizvraag
EconomieMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 3

In deze les zitten 25 slides, met interactieve quizzen.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

Hoeveel leenmotieven zijn er?
Leerdoel 11
A
3
B
4
C
5
D
2

Slide 1 - Quizvraag

Mark wil graag een nieuwe telefoon kopen.
Zijn vader heeft deze maand geld tekort vanwege de aanbetaling van de vakantie.

Van welke twee leenmotieven is hier sprake?
Leerdoel 11
A
tijdelijk geld tekort, onverwacht dringend geld tekort
B
tijdelijk geldtekort, aanschaf duurzaam consumptiegoed
C
onverwacht dringend geld, aanschaf duurzaam consumptiegoed
D
tijdelijk geldtekort, aanschaf huis

Slide 2 - Quizvraag

De kosten van een lening bestaan uit
Leerdoel 12
A
de rente
B
de aflossing

Slide 3 - Quizvraag

Je leent € 2.000,- en moet 12 maanden € 200,- terug betalen.
Hoeveel zijn de kosten van deze lening?
Leerdoel 12
A
€ 2.400,-
B
€ 2.000,-
C
€ 400,-
D
€ 200,-

Slide 4 - Quizvraag

Je leent € 67.500,- en moet dit is 36 maanden terug betalen. Je betaald 3% extra aan rente
Leerdoel 13
A
De aflossing is € 1.875,-
B
De aflossing is € 1.931,25
C
De aflossing is € 1.818,75
D
De aflossing is € 2.250,-

Slide 5 - Quizvraag

De aflossing bestaat uit
Leerdoel 13
A
Deel van de lening die je moet terug betalen
B
Deel van de lening die je moet terug betalen plus de rente
C
De rente die je moet terug betalen

Slide 6 - Quizvraag

Voor mensen zonder baan is het lastig om geld te lenen
Leerdoel 14
A
juist
B
onjuist
C
daar kun je niets over zeggen

Slide 7 - Quizvraag

Piet heeft al 2 leningen. Klaas heeft er geen. Wie zal eerder een lening krijgen van de bank als ze bij hetzelfde bedrijf werken en hetzelfde verdienen?
Leerdoel 14
A
Piet
B
bank heeft geen voorkeur
C
Klaas

Slide 8 - Quizvraag

Als je een nieuwe Tesla wilt kopen dan kun je daar een hypothecaire lening voor afsluiten.
Leerdoel 15
A
juist
B
onjuist

Slide 9 - Quizvraag

Waarom wordt er bij de aanvraag van een consumptief krediet een BKR-toets gedaan?
Leerdoel 15
A
Om te bekijken of de klant ooit fraude heeft gepleegd of een poging daartoe.
B
Om inzicht te krijgen of de aanvrager al meerdere kredieten heeft lopen.
C
Om te kijken of het legitimatiebewijs van de klant als vermist staat opgegeven
D
Om inzicht te krijgen in het betalingsverleden en om inzicht te krijgen of er al meerdere kredieten lopen van een aanvrager, .

Slide 10 - Quizvraag

Wat betekent de afkorting BKR?
Leerdoel 16
A
Bureau kredietregistratie
B
Bijzonder Kredietregistratie

Slide 11 - Quizvraag

Wat doet het BKR?
Leerdoel 16
A
daar houden ze bij of je geld leent en of je ook alles terugbetaalt.
B
daar houden ze bij of je alles terugbetaalt van je lening.
C
daar houden ze alle leningen bij van iedereen in Nederland

Slide 12 - Quizvraag

Juist of onjuist?
Er zijn vier verschillende vormen van consumptief krediet.
Leerdoel 17
A
Juist
B
Onjuist

Slide 13 - Quizvraag


Stel: je smartphone die je op afbetaling hebt 
gekocht, laat je na 2 maanden op de grond vallen. 
De telefoon is helemaal stuk. Moet je dan de 
resterende termijnen van je lening doorbetalen?
Leerdoel 17
A
ja
B
nee
C
dat hangt af wat er is afgesproken
D
ja, maar pas nadat de telefoon is gemaakt

Slide 14 - Quizvraag

Wat is géén vorm van consumptief krediet?
Leerdoel 17
A
Hypotheek
B
Salariskrediet
C
Persoonlijke lening
D
Doorlopend krediet

Slide 15 - Quizvraag

Bij welke vorm van consumptief krediet kun je rood staan?
Leerdoel 17
A
Persoonlijke lening
B
Doorlopend krediet
C
Rekening-courantkrediet
D
Koop op afbetaling

Slide 16 - Quizvraag

Ben wil een nieuwe televisie kopen. Hij ziet een mooie tv en spreekt met de verkoper af dat hij in termijnen gaat betalen.
Van welke kredietvorm maakt Ben gebruik?
Leerdoel 17
A
consumptief krediet
B
doorlopend krediet
C
persoonlijke lening
D
koop op afbetaling

Slide 17 - Quizvraag

"Je mag op je betaalrekening tot een afgesproken bedrag rood staan (hoogte hangt af van je salaris). Alleen geschikt als je een korte tijd geld tekort komt, de rente is erg hoog."

Dit is de omschrijving van:
Leerdoel 17
A
Een persoonlijke lening
B
Een doorlopend krediet
C
Een salariskrediet
D
Een consumptief krediet

Slide 18 - Quizvraag

Je koopt een product en betaalt het in een afgesproken aantal termijen terug. Je bent meteen eigenaar.
Je koopt een product, maar wordt pas eigenaar als je alle afgesproken termijnen hebt betaald. 
Leerdoel 17
Huurkoop
Koop op afbetaling

Slide 19 - Sleepvraag

Je wilt iets kopen voor € 1.597,- het termijn bedrag is € 50,- en de looptijd is 3 jaar.
Leerdoel 18
A
De kredietkosten zijn € 1.800,-
B
De kredietkosten zijn € 203,-
C
De kredietkosten zijn € 1.447,-
D
De kredietkosten zijn € 150,-

Slide 20 - Quizvraag

Je wilt iets kopen voor € 586,- de looptijd is 1 jaar en de kredietkosten zijn 3%
Leerdoel 18
A
De kredietkosten zijn € 603,58
B
De maandelijkse aflossing is € 50,30
C
De maandelijkse aflossing is € 48,83
D
De kredietkosten zijn € 17,58

Slide 21 - Quizvraag

Meneer Kielstra leent € 3.000,-
Hij moet vervolgens 24 x € 150 per maand betalen.
Hoeveel bedragen de krediet kosten?
Leerdoel 18
A
€ 245,-
B
€ 500,-
C
€ 450,-
D
€ 600,-

Slide 22 - Quizvraag

Bij welke hypotheekvorm los je een steeds groter bedrag af?
Leerdoel 19
A
Lineaire hypotheek
B
Annuïteitenhypotheek

Slide 23 - Quizvraag

Bij welke hypotheekvorm neemt het rentedeel maandelijks af en het aflossingsdeel toe?
Leerdoel 19
A
Spaarhypotheek
B
Annuïteitenhypotheek
C
Lineaire hypotheek
D
Deposito hypotheek

Slide 24 - Quizvraag

Bij welke hypotheekvorm los je elke maand hetzelfde bedrag af?
Leerdoel 19
A
Lineaire hypotheek
B
Annuïteitenhypotheek

Slide 25 - Quizvraag