A2 Overtreffende trap

Welkom klas 
1 / 37
volgende
Slide 1: Tekstslide
NT2ISK

In deze les zitten 37 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

Onderdelen in deze les

Welkom klas 

Slide 1 - Tekstslide

Vergrotende trap overtreffende trap
Als je twee dingen vergelijkt, gebruik je de vergrotende trap, 
als je meer dan twee dingen vergelijkt de overtreffende trap:

Dit restaurant is goedkoper dan dat restaurant.
Dat huis is het grootst (van allemaal).

Slide 2 - Tekstslide

Sommige vormen zijn onregelmatig. 
Die moet je uit je hoofd leren:
goed – beter dan – het best(e)
veel – meer dan – het meest(e)
weinig – minder dan – het minst(e)
graag – liever dan – het liefst(e)

Slide 3 - Tekstslide

Kies het juiste antwoord:

Ik vind blauw … dan groen.
A
mooi
B
het mooiste
C
mooier

Slide 4 - Quizvraag

Vind je de boodschappen ….?
A
Duur
B
duurder
C
het duurste

Slide 5 - Quizvraag

De jongste broer is het ...… van het hele gezin.
A
groot
B
groter
C
grootste

Slide 6 - Quizvraag

Ik vind Nederlands .......… dan Engels.
A
moeilijk
B
moeilijker
C
het moeilijkste

Slide 7 - Quizvraag

Schrijf de vergrotende en overtreffende trap van: graag

Slide 8 - Open vraag

Een gram is ........ een kilo.

Slide 9 - Open vraag

Een auto gaat ......... een fiets.

Slide 10 - Open vraag

Een dorp is ........ een stad.

Slide 11 - Open vraag

Slide 12 - Tekstslide

Zoek iemand die:

  • groter is dan jij
  • Kleinere schoenen heeft dan jij
  • een andere kleur T-shirt/bloes aanheeft
  • langer in Nederland is dan jij

Slide 13 - Tekstslide

Slide 14 - Tekstslide

Slide 15 - Tekstslide

2.2 Trap van vergelijking

Slide 16 - Tekstslide

Slide 17 - Video

Trappen van vergelijking
Je gebruikt de vergelijkende trap wanneer je twee of meer dingen met elkaar vergelijkt.

We noemen het een trap, omdat het elke keer meer wordt.

Slide 18 - Tekstslide

klein - kleiner       aardig - aardiger
Je kunt woorden gebruiken om dingen of mensen met elkaar te vergelijken. 
Meestal zet je -er achter het woord.

  • mooi - mooier
  • lang - langer
  • klein - kleiner

Slide 19 - Tekstslide

lange - & korte klank

Kort --> extra letter 
Lang --> 1 letter minder 

Krom - krommer
Laag - lager

Slide 20 - Tekstslide

Let op!
Is de laatste letter een -r? Dan schrijft je -der achter het woord zoals bij:

  • Lekker - lekkerder en duur - duurder

                                duurder --> niet durder 



Slide 21 - Tekstslide

Sommige woorden zijn onregelmatig / speciaal
Bijvoorbeeld:

graag - liever
goed - beter
veel - meer
weinig - minder

Omar voetbalt graag buiten, maar Mike speelt liever binnen.

Slide 22 - Tekstslide

Overtreffende trap

Slide 23 - Tekstslide

Slide 24 - Tekstslide

Het leukst
Weet je het nog?
  • Je kunt mensen en dingen vergelijken door de vergrotende trap:
 Kees is langer dan Jan.

  • Je kunt ook op een andere manier vergelijken: de overtreffende trap:
     Nederlanders zijn het langst.

Slide 25 - Tekstslide

groot - groter - grootst
  1. Jij bent groot.
  2. Ik ben groter.
  3. Hij is het grootst.
  4. Ik ben groter dan jij (bent).
  5. Jij bent even groot als ik (ben).


Slide 26 - Tekstslide

'Het' ervoor en '-st' erachter
Nog een paar voorbeelden:
  • Klein - kleiner - het kleinst
  • Groot - groter - het grootst
  • Stil -stiller - het stilst
  • Donker - donkerder - het donkerst

Slide 27 - Tekstslide

Deze regel geldt ook bij de onregelmatige woorden:

graag     -   liever        -     het liefst
goed      -   beter        -     het best
veel        -   meer        -     het meest
weinig   -   minder    -      het minst

Slide 28 - Tekstslide

Wat doe je bij hetzelfde?

Slide 29 - Tekstslide

vergelijken: hetzelfde
Je gebruikt het woord even.
  1. Eslam en Yakeen voetballen even goed.
  2. Mateusz en Natnael zijn even groot.
  3. Dagmara en Saba schrijven even netjes.

Slide 30 - Tekstslide

vergelijken: hetzelfde
even als of net zo als.

1a. Eslam voetbalt even goed als Yakeen.
1b. Eslam voetbalt net zo goed als Yakeen.
2a. Mateusz is even groot als Natanael.
2b. Mateusz is net zo groot als Natanael.

Slide 31 - Tekstslide

Schrijf de vergrotende en overtreffende trap van: leuk

Slide 32 - Open vraag

Schrijf de vergrotende en overtreffende trap van: gek

Slide 33 - Open vraag


Schrijf de vergrotende en overtreffende trap van: lief

Slide 34 - Open vraag


Schrijf vergrotende en overtreffende trap van: goed

Slide 35 - Open vraag


Schrijf de vergrotende en overtreffende trap van: zwaar

Slide 36 - Open vraag

Geheime Raadspel 
Schrijf een geheime beschrijving van een persoon, plaats, dier of ding. Gebruik minstens drie overtreffende trappen.

Lees jouw beschrijving voor aan de groep, maar noem het onderwerp niet.

De groep mag om de beurt een vraag stellen om te raden wat of wie het is.
Het moet een ja/nee vraag zijn. 

Bijvoorbeeld:  "Dit is de bekendste stad in Nederland. Er zijn de meeste toeristen. Het heeft de langste grachten. Welke stad is dit?"

Slide 37 - Tekstslide