Drogredenen, Bouwsteen 6 les 3

Bouwsteen 6 
Argumenteren, schrijven/spreken, les 3
1 / 52
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMBOStudiejaar 1

In deze les zitten 52 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 7 videos.

Onderdelen in deze les

Bouwsteen 6 
Argumenteren, schrijven/spreken, les 3

Slide 1 - Tekstslide

Lesdoelen
Je kunt:
  • een standpunt van een argument onderscheiden;
  • je standpunt of conclusie ondersteunen met geldige argumenten;
  • een aantal drogredenen herkennen;
  • je tekst verlevendigen met figuurlijk taalgebruik;
  • je weet wat je moet doen voor de toets bouwsteen 6.



 

Slide 2 - Tekstslide

Hersenkraker 1

Slide 3 - Tekstslide

Slide 4 - Tekstslide

belangrijke informatie

toets op 7 april tijdens het eerste lesuur
document gemaakt als theorie, op Teams
mail mevrouw Stoter

Slide 5 - Tekstslide

 herhalen
  • Je kunt je standpunt onderbouwen met argumenten. 
  • Met een argument zeg je waarom je iets vindt. Je geeft dus een reden. 
  • Een reeks van argumenten noemen we daarom ook wel een redenering of een argumentatie.

  • Je herkent argumenten aan de volgende signaalwoorden
    - want - daarom - omdat - namelijk -

Slide 6 - Tekstslide

Handig!
Soms is het lastig om te bepalen wat het standpunt is en wat het argument is. Je kunt dan de 'want-dus-proef' gebruiken.



Standpunt (want) argument
Argument (dus) standpunt


Slide 7 - Tekstslide

Even oefenen
  • Bolletje 3 schrijven maken en bespreken
  • bolletje 7, opdracht 21. Verzin 2 argumenten en 2 gevolgen die dit voor jou heeft. Bespreken


timer
5:00

Slide 8 - Tekstslide

Wat is het standpunt??
De regering heeft geblunderd; ze hebben veel te sloom gereageerd toen ze extra vaccins konden bestellen.
A
de regering heeft geblunderd
B
ze hebben veel te sloom gereageerd toen ze ...

Slide 9 - Quizvraag


Wat is het standpunt in onderstaande zin:
Het is een risicovolle operatie; het spierweefsel kan namelijk beschadigd raken.
A
Het is een risicovolle operatie
B
Het spierweefsel beschadigd kan raken

Slide 10 - Quizvraag

Wat is het argument in onderstaande zin:

Zo boeiend was haar optreden niet, de helft van het publiek deed wat anders.
A
Zo boeiend was haar optreden niet
B
De helft van het publiek deed wat anders

Slide 11 - Quizvraag

Wat is het argument in onderstaande zin:

De eerste reacties op het product waren heel positief, dus het ontwerp van Hans is goed gelukt.
A
De 1e reacties op het product waren heel positief
B
Dus het ontwerp van Hans is goed gelukt.

Slide 12 - Quizvraag

Zelf aan de slag!  10 minuten
Bekijk het betoog van een klasgenoot.
Opdracht:
Wat is de stelling?
Wat is het standpunt?
Welke argumenten zie je?

Geef dat aan met kleurtjes of anderszins, als het maar duidelijk is. 

Slide 13 - Tekstslide

Geldige argumenten en drogreden
Een goed argument klopt: het is een objectief, feitelijk argument, of een subjectief argument (een mening) dat goed ingezet wordt.
 
Er zijn echter ook foute argumenten. Dit noemen we ook wel drogredenen (drog= bedrog + reden = argument). Drogredenen lijken geldige argumenten, maar zijn het niet.

Slide 14 - Tekstslide

Drogredenen

Slide 15 - Tekstslide

Slide 16 - Video

Opdracht 
(bolletje 5 van lezen en luisteren)

Even deze tekst lezen en daarna de vragen bespreken

Slide 17 - Tekstslide

Nabespreken opgave 11

Slide 18 - Tekstslide

Nabespreken opgave 13
  • een gespierd wasbordje is niet echt een wasbordje, maar staat voor een blokjesbuik. Een metafoor voor een getraind lijf. 

Slide 19 - Tekstslide

Nabespreken bolletje 1 schrijven
Opgave 1  
Bekijk de volgende uitspraken. 
1. Goede argumenten sluiten aan bij je lezers. 
2. Goede argumenten sluiten aan bij je standpunt. 
 
Welke uitspraak over goede argumenten is juist? 
 
Alleen uitspraak 1 is juist. 
Alleen uitspraak 2 is juist. 
Beide uitspraken zijn juist. 
Beide uitspraken zijn onjuist.
  • Goede argumenten passen bij je standpunt, maar kunnen ook de lezers aanspreken. Anders bereiken ze hun doel niet.

Slide 20 - Tekstslide

Nabespreken bolletje 1 schrijven
Opgave 2  

Waarom gebruik je beeldspraak in een tekst? 
Er zijn drie antwoorden goed. 
 
Om je lezers minder te kwetsen 
Om je standpunt te ondersteunen 
Om je tekst te verlevendigen 
Om je verhaal sterker te maken 
Om meer feiten te kunnen geven 
Om meer lezers te trekken

  • beeldspraak verlevendigt je tekst en hierdoor wordt de tekst vanzelf  sterker. Daarnaast dient ze vooral ook om jouw standpunt duidelijker te maken, dus te ondersteunen.

Slide 21 - Tekstslide

nabespreken bolletje 1 schrijven
Opgave 3  
Hoe kun je met je tekst je lezers het beste overtuigen? 
Er zijn drie antwoorden goed. 
 
Door drogredenen te geven 
Door feitelijke argumenten te geven 
Door geldige argumenten te geven 
Door je te richten op een zo groot mogelijk publiek 
Door rekening te houden met de opvattingen, 
gevoelens en behoeften van je lezers 
Door veel vergelijkingen te maken


  • door met feiten te komen overtuig je. Dus niet met drogredenen en daarom dus geldige argumenten. Ook moet je rekening houden met jouw  publiek zodat je boodschap overkomt.

Slide 22 - Tekstslide

De onjuiste oorzaak – gevolgrelatie
Er wordt tussen twee zaken een oorzaak-gevolgrelatie gelegd, terwijl die er niet is.



Veel ouderen die op een e-bike rijden hebben een ongeval gehad, dus is het rijden met een e-bike gevaarlijk.

Slide 23 - Tekstslide

Onjuiste vergelijking
Je vergelijkt onterecht twee zaken met elkaar:


 

  • Volgens de NS hoeft in de sprinter geen wc te zitten. In een bus zit die toch ook niet. 

Slide 24 - Tekstslide

0

Slide 25 - Video

Overhaaste generalisatie
Op grond van een of een enkel voorval wordt er een conclusie
getrokken die voor alle gevallen geldt.



  • Mijn opa dronk elke dag een paar glazen jenever en is 98 jaar geworden, alcohol drinken is dus helemaal niet ongezond.

Slide 26 - Tekstslide

De cirkelredenering
Bij een cirkelredenering herhaal je je standpunt, alleen anders geformuleerd.


 

  • God bestaat omdat het in de bijbel staat, en wat in de bijbel staat is waar omdat het Gods woord is.

Slide 27 - Tekstslide

beroep op traditie
Dit is een reden, gebaseerd op een gewoonte uit het verleden



 

  • Wij moesten vroeger altijd meehelpen, dus jullie nu ook.

Slide 28 - Tekstslide

De persoonlijke aanval
Je valt de persoon aan en niet zijn argument(en).



 

  • Wat weet jij van nu gezondheid, jij weegt zelf 105 kilo!

Slide 29 - Tekstslide

Slide 30 - Video

Het ontduiken van de bewijslast
Je zoekt een excuus om zelf geen argumenten te moeten zoeken.




  • Dat hoef ik niet te bewijzen, dat ís gewoon zo!

Slide 31 - Tekstslide

Het verschuiven van bewijslast
Je legt de tegenpartij woorden in de mond waarvan de onjuistheid moeilijk is te bewijzen.



  • Ik word later een goede piloot. Vertel mij maar eens waarom dat niet zo zou zijn. 

Slide 32 - Tekstslide

Slide 33 - Video

Onjuist beroep op een kenmerk of eigenschap 
Bepaalde kenmerken of eigenschappen worden overgewaardeerd terwijl andere relevante kenmerken nauwelijks of niet worden genoemd.

 
  • Die leraar heeft altijd dezelfde kleren aan, dat moet wel een saaie leraar zijn.

Slide 34 - Tekstslide

Het bespelen van het publiek
Je beweert zaken waartegen iemand moeilijk kan ingaan.





  • Je bent toch niet goed bij je hoofd als je daar wil wonen.

Slide 35 - Tekstslide

Een onjuist beroep op autoriteit 
Je beroept je op een bekend persoon, maar die persoon hoeft van het onderwerp helemaal niets af te weten of hij heeft belang bij de zaak.



  • De Amerikanen hadden nooit een atoombom op Japan moeten gooien. Einstein was daar ook fel tegen. 
    (als Einstein ergens tegen is, moet iedereen er tegen zijn?)

Slide 36 - Tekstslide

Slide 37 - Video

even oefenen

Bolletje  2 van schrijven
(reclameteksten)
timer
10:00

Slide 38 - Tekstslide

Leerdoelen
4. Spreken en Gesprekken voeren




  • nog een aantal drogredenen herkennen;
  • mondeling een idee, product of dienst aanprijzen.

Maken: bolletje 1  van spreken/gesprekken voeren


timer
10:00

Slide 39 - Tekstslide

Herken de drogredenen
6 vragen

Slide 40 - Tekstslide

Ik heb dat niet gestolen, want ik ben geen dief.
A
beroep op traditie
B
Overhaaste generalisatie
C
Cirkelredenering
D
Het ontduiken van de bewijslast

Slide 41 - Quizvraag

Wat weet jij nou van voetbal, je kan nog geen deuk in een pakje boter trappen.
A
Een onterecht beroep op autoriteit
B
Persoonlijke aanval
C
Cirkelredenering
D
Het ontduiken van bewijslast

Slide 42 - Quizvraag

Geschiedenisonderwijs kan maar beter afgeschaft worden. Je kan er niets meer aan veranderen en oude kleren gooi je toch ook weg.
A
Een verkeerde vergelijking
B
De persoonlijke aanval
C
Het ontduiken van bewijslast
D
Onjuiste oorzaak- gevolgrelatie

Slide 43 - Quizvraag

Toen de hulpverleners in het ontwikkelingsland kwamen, ontstond er Ebola. Zij hebben het dus meegebracht.
A
Cirkelredenering
B
Onjuiste oorzaak- gevolgrelatie
C
Het onjuist beroep op autoriteit
D
De persoonlijke aanval

Slide 44 - Quizvraag

Het bouwen van een kerncentrale is best gevaarlijk. Dat hoorde ik Famke Louise laatst nog zeggen.
A
Cirkelredenering
B
Onjuiste oorzaak- gevolgrelatie
C
Het onjuist beroep op autoriteit
D
De persoonlijke aanval

Slide 45 - Quizvraag

Iedereen weet toch dat alle autoverkopers oplichters zijn.
A
Persoonlijke aanval
B
Overhaaste generalisatie
C
Cirkelredenering
D
Het ontduiken van de bewijslast

Slide 46 - Quizvraag

Slide 47 - Video

Slide 48 - Video

Maken: woordenschat bouwsteen 6

Slide 49 - Tekstslide

Lesdoel gehaald?
Je kunt:

je standpunt of conclusie ondersteunen met geldige argumenten;
een aantal drogredenen herkennen;


 

Slide 50 - Tekstslide

Aan het werk
Maken:

-Tussentoets
-Woordenschat Bouwsteen 6

Slide 51 - Tekstslide

Volgende week laatste les van P3

- Herhaling theorie bouwsteen 6
- Oefentoets
- Toelichting examen P4

VRAGEN ???

Slide 52 - Tekstslide