Thema Vervoer; Openbaar vervoer

openbaar vervoer
1 / 18
volgende
Slide 1: Tekstslide
VerkeerBasisschoolGroep 3-5

In deze les zitten 18 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

openbaar vervoer

Slide 1 - Tekstslide

Vertel: Deze les gaat over openbaar vervoer. Op de volgende pagina gaan jullie een woordweb maken. De vraag die we gaan beantwoorden is: wat is openbaar vervoer? Vul jouw antwoord in op jouw (Chromebook, iPad, etc). 
Openbaar vervoer

Slide 2 - Woordweb

Laat de kinderen op hun device het antwoord invullen op de vraag: Wat is openbaar vervoer?

Openbaar vervoer
Vliegtuig
Trein
Bus
Metro
Tram
Taxi
Veerpont

Slide 3 - Tekstslide

Vertel: In Nederland hebben we veel verschillende voertuigen die we gebruiken in het openbaar vervoer. In deze les gaan we het hebben over het vliegtuig, de trein, de tram, de metro, de bus, de taxi en de veerpond. Openbaar vervoer is reizen met een voertuig dat iedereen kan en mag gebruiken. Natuurlijk moet je er wel voor betalen.
Wat is geen openbaar vervoer?
A
Bus
B
Je eigen fiets
C
Trein
D
Veerpond (boot van Den Helder naar Texel)

Slide 4 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Vliegen met het vliegtuig is handig, omdat:
A
Je de wolken beter kan zien
B
Je dan niet een gordel om hoeft
C
Je over gebouwen en zeeën heen kan vliegen
D
Het zo'n fijn gevoel geeft

Slide 5 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Ben jij wel eens met een vliegtuig ergens naartoe gevlogen?
A
Ja
B
Nee

Slide 6 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Waarom is rijden in een trein zo handig?
A
Het is snel en er passen heel veel mensen in
B
De trein kan niet sturen
C
De trein gebruikt veel stroom
D
De trein moet vaak wachten voor een stoplicht

Slide 7 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Hoeveel mensen kunnen meestal in de bus zitten?
A
5
B
50
C
20
D
150

Slide 8 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Waarom is het handig om met de bus te reizen?
A
De bus is lekker warm
B
De bus kan overal komen en stopt op veel plekken
C
Er klinkt heel mooie muziek
D
De bus kan ook elektrisch zijn

Slide 9 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Rijden met de tram is handig, omdat
A
Je kan snel van de ene stad naar de andere stad
B
De tram door kan rijden van halte naar halte (geen stoplichten)
C
De tram kan alle kanten op sturen
D
De tram heeft geen bestuurder nodig

Slide 10 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is het belangrijkste verschil tussen een tram en een metro?
A
Een tram is langer dan een metro
B
Een tram moet soms stoppen voor ander verkeer. Een metro niet.
C
Een metro schrijf je met de M en de tram met een T
D
Een metro rijdt elektrisch

Slide 11 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Waarom is het handig om met de metro te reizen?
A
De metro is heel erg mooi
B
De metro hoeft nooit te stoppen voor ander verkeer
C
De metro komt in alle steden
D
De metro is rood

Slide 12 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Slide 13 - Video

Deze slide heeft geen instructies

De taxi is openbaar vervoer omdat:
A
De taxi wielen heeft
B
De taxi een mooi geel bordje heeft
C
Iedereen met de taxi kan, als je maar betaalt
D
je Taksi ook kan drinken

Slide 14 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Reizen met de taxi is handig, omdat
A
er heel veel mensen in de taxi passen
B
de taxi heel goedkoop is
C
de taxi overal kan komen
D
de taxi een woord is met een x erin

Slide 15 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Waarom is het reizen met de veerpont zo handig?
A
Omdat je een mooi uitzicht hebt
B
Omdat het zo'n grappige naam heeft
C
omdat het erg goedkoop is
D
Omdat de veerpont jou naar de overkant van het water kan brengen

Slide 16 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Einde van de les

Slide 17 - Tekstslide

Dit is alweer het einde van de les! Hopelijk weet je nu wat er allemaal bij het openbaar vervoer hoort. Op de volgende pagina krijg je nog 1 vraag: wat heb je deze les geleerd? bedankt voor het luisteren en ik ben heel benieuwd wie alle vragen goed hadden!
Ik heb geleerd dat:

Slide 18 - Woordweb

Deze slide heeft geen instructies