PV1 H10 Natuur en Techniek geven

Hoofdstuk 10, heelal, weer en seizoenen

1 / 42
volgende
Slide 1: Tekstslide
Natuur & Techniek HBOStudiejaar 1

In deze les zitten 42 slides, met tekstslides en 8 videos.

Onderdelen in deze les

Hoofdstuk 10, heelal, weer en seizoenen

Slide 1 - Tekstslide

Hoe te gebruiken?
Deze LessonUp is te gebruiken als uitleg bij het boek.
* DISCLAIMER. Deze lessonup geldt als aanvulling op vakateliers en boek en niet als vervanging.
* DISCLAIMER. Er is met zorgvuldigheid gewerkt aan deze lesson up maar het uitsluiten van schrijf- of andere foutjes is niet helemaal mogelijk. Zie je iets waarover je twijfelt meldt het dan even.


De student ...

in het geel staan iedere keer de specifieke toetscriteria bij het onderdeel dat verder wordt uitgelegd. 

Slide 2 - Tekstslide

De maan
Lees blz. 259 en bekijk de uitleg in het volgende filmpje.


De student kan de verschillende maanfases in correcte volgorde zetten.

De student kan benoemen hoelang een maancyclus duurt.

Slide 3 - Tekstslide

Slide 4 - Video

Slide 5 - Video

De aarde en de maan
  • De maan is gevormd uit de aarde tijdens een botsing met een ander object gedurende de vorming van ons zonnestelsel 4,5 miljard jaar geleden.
  • De aarde is grotendeels vloeibaar en warm, de maan lijkt volledig afgekoeld te zijn. Op de maan is geen platentektoniek en dus ook geen vulkanen.
  • De aarde heeft een atmosfeer, de maan niet. Op de maan heerst een vacuum. 
  • De aarde heeft een valversnelling van 9,8 m/s2 (1g) de maan 1,62 m/s2 (0,17g). Je weegt op de maan dus ongeveer 1/6de van je gewicht op aarde. 
  • De aarde heeft een sterk magnetisch veld. De maan heeft bijna geen magnetisch veld. 
De student kan beschrijven welke verschillen er zijn tussen de maan en de aarde.

Slide 6 - Tekstslide

Eb en vloed
lees blz. 259 en bekijk het volgende filmpje.
De student kan uitleggen hoe het getijde van twee keer vloed en twee keer eb per etmaal door de maan wordt veroorzaakt.

Slide 7 - Tekstslide

Slide 8 - Video

Zonsverduistering 
Hoe ontstaat zonverduistering?
  • De zon wordt verduisterd door de maan.
  • De maan draait rondjes om de aarde, één rondje duurt ongeveer 27 dagen, 7 uur en 43 minuten (ongeveer 1 maand). 
  • Aarde en maan draaien samen om de zon. Wanneer de maan tussen de zon en de aarde staat ontstaat er een zonverduistering.
  • De zon straalt zijn licht op de aarde, maar de maan staat er precies voor en houdt het licht van de zon tegen. Dat geeft een schaduw. Dit is een relatief kleine schaduw en het is dus ook maar op een kleine plek op aarde donker. 
  • Een zonsverduistering wordt ook wel eclips genoemd
De student kan uitleggen hoe een zonsverduistering ontstaat.

Slide 9 - Tekstslide

Slide 10 - Tekstslide

Maansverduistering
Hoe ontstaat maansverduistering?
  • De maan wordt verduisterd door de aarde.
  • De maan draait rondjes om de aarde, één rondje duurt ongeveer 27 dagen, 7 uur en 43 minuten (ongeveer 1 maand). 
  • Aarde en maan draaien samen om de zon. Wanneer de aarde tussen de zon en de maan staat ontstaat er een maansverduistering.
  • De zon straalt zijn licht op de maan, maar de aarde staat er precies voor en houdt het licht van de zon tegen. Dat geeft een schaduw. Dit is een relatief grote schaduw en de hele maan past erin. 
• Maanverduistering wordt ook wel maaneclips genoemd

De student kan uitleggen hoe een maansverduistering ontstaant.

Slide 11 - Tekstslide

Slide 12 - Video

Seizoenen
Doordat de aarde 'scheef' staat ten opzichte van de zon worden de dagen langer en korter en wisselt de hoek van de instraling van de zonnestralen; zo ontstaan er seizoenen. Door de scheve stand van de aarde wordt in de maanden mei, juni en juli het noordelijke halfrond van de aarde wat meer door de zon beschenen, terwijl dat in de maanden november, december en januari juist het zuidelijke halfrond meer zonlicht ontvangt.
• De aarde draait in één jaar tijd precies één keer om de zon heen.
• Australië heeft daarom zomer in december, omdat dan die kant van de aarde meer beschenen wordt door de zon. De dagen zijn langer en de zon staat hoger 

De student kan uitleggen hoe de stand van de aardas de seizoenen veroorzaakt.

Slide 13 - Tekstslide

Misconcepten over seizoenen
  • In de zomer staat de aarde dichter bij de zon. Dit is NIET waar. Anders zouden de seizoenen over de hele wereld gelijk zijn. Dat zijn ze niet. Als het zomer is in Nederland dan is het winter in Nieuw Zeeland. 
  • De aarde draait in een elips om de zon. Dit is inderdaad zo, maar het veroorzaakt NIET de seizoenen anders... zie boven.
  • Ik zie op het plaatje dat door het scheefstaan van de aarde Nederland in de zomer dichter bij de zon is dan in de winter. Ja, het plaatje laat dat zien, maar het veroorzaakt NIET de seizoenen. Nederland ligt in de zomer misschien gemiddeld 500 km. dichter bij de zon. De zon is 149.600.000 km. ver weg. Die 500 km maakt niets uit. 
De student kan uitleggen hoe de stand van de aardas de seizoenen veroorzaakt.

Slide 14 - Tekstslide

De student kan uitleggen hoe de stand van de aardas de seizoenen veroorzaakt.

Slide 15 - Tekstslide

Zomer- en wintertijd 
De wintertijd is eigenlijk de ‘echte’ tijd die wij met zijn allen hebben afgesproken. In de lente zetten we de klok een uurtje vooruit: de zomertijd. De zomertijd is ingesteld om effectiever gebruik te maken van het (zon) licht: in de zomer wordt het zo vroeg licht, dat er veel daglicht verloren gaat. Door de klok een uur vooruit te zetten, is het ’s avonds langer licht en wordt er meer gebruik gemaakt van het licht en wordt er energie bespaard.
De student kan uitleggen waarom we zomer- en wintertijd hebben.

Slide 16 - Tekstslide

Tijdzones 
Een tijdzone is een gebied op de aardbol waarin dezelfde tijd wordt gehanteerd. Doordat de wereldbol rond is en dus maar aan 1 zijde door de zon beschenen kan worden is het aan de ene kant van de aarde dag en aan de andere kant nacht. 
  • De strepen die de aarde opdelen in de verschillende tijdzones noemen we meridianen. Verder naar het oosten wordt het steeds 1 uur later.
  • De nulmeridiaan van Greenwich is het centrum van de tijdzone (Greenwich mean time, GMT). Vanaf hier tel je. Dat betekent dus dat Nederland +1 is; GMT+1.
  • Vanwege politieke overwegingen liggen verschillende tijdzones heeeeeeeeeeeeel vreemd. 

De student kan uitleggen wat tijdzones zijn.

Slide 17 - Tekstslide

Klimaat
Als je de definitie op zoekt van klimaat krijg je: 'het gemiddelde weer in een bepaalde streek'. Zo hebben wij bijvoorbeeld een zeeklimaat, wat zich kenmerkt door het verschillende weer.
De student kan uitleggen wat bedoeld wordt met klimaat.

Slide 18 - Tekstslide

Het weer 
De termen waar het weer het vaakst mee wordt beschreven zijn:
  • temperatuur
  • neerslag
  • wind 
Bij het weerbericht hebben ze het vaak over de oorzaak van het weer, door middel van hoge- en lagedrukgebieden.

De student kan benoemen met welke termen het weer kan worden beschreven.

Slide 19 - Tekstslide

invloed van de mens op klimaat
Heel lang dachten mensen dat ze geen invloed hadden op het klimaat, maar dat blijkt wel anders. Vooral fossiele brandstoffen zijn slecht voor het milieu. Grote economische belangen bij fossiele brandstof verhinderen vooralsnog een aanpak tegen deze brandstof.
De student kan beschrijven op welke manier de mens invloed heeft op het klimaat en wat de mogelijke gevolgen daarvan voor ons kunnen zijn

Slide 20 - Tekstslide

Slide 21 - Video

Neerslag
Verschillende vormen van neerslag zijn:
  • regen
  • hagel
  • ijzel 
  • sneeuw
De student kan vier vormen van neerslag noemen.

Slide 22 - Tekstslide

Een wolk
Lees blz. 263.
De student kan benoemen wat een wolk is.

Slide 23 - Tekstslide

Neerslag
Lees blz. 263 en bekijk het filmpje op de volgende slide
De student kan beschrijven onder welke omstandigheden verschillende vormen van neerslag worden gevormd.

Slide 24 - Tekstslide

Slide 25 - Video

Onweer
Lees blz. 264 en bekijk het filmpje op de volgende slide.
De student kan uitleggen hoe onweer ontstaat.

De student kan beschrijven wat bliksem en donder veroorzaakt.

Slide 26 - Tekstslide

Slide 27 - Video

Wind
  • Wind is de stroming van lucht. 
  • Lucht beweegt altijd van een plek met een hoge luchtdruk naar een plek met een lage luchtdruk. 
  • Op een plek met hoge luchtdruk zijn er meer luchtdeeltjes (zie hoofdstuk 7). Die stoten elkaar af waardoor ze vanzelf in een plek komen met een lage luchtdruk. Die stroming van luchtdeeltjes is wind. 
De student kan uitleggen hoe wind ontstaat.


Slide 28 - Tekstslide

Isobaren
  • Een isobaar is een lijn op een landkaart die punten van gelijke druk met elkaar verbindt. Je ziet deze vaak op weerkaarten, deze zijn dan vaak dun en zwart. Die lijnen geven de luchtdruk aan. 
  • Luchtdruk wordt uitgedrukt in Pascal maar milibar (mbar) wordt ook nog gebruikt. 
De student kan uitleggen wat isobaren zijn.

Slide 29 - Tekstslide

Slide 30 - Tekstslide

Schaal van Beaufort 
Meest gebruikte schaal van windkracht: de naam van deze schaal is de schaal van Beaufort. 
De schaal van Beaufort is een systeem voor het classificeren van de snelheid van de wind. Het is geen lineare schaal. Kijk maar naar de windsnelheiden op het plaatje in de volgend slide. 
De schaal werd in 1805 opgesteld door de Ier Francis Beaufort.
De student kent de meest gebruikte schaal voor windkracht.

Slide 31 - Tekstslide

Slide 32 - Tekstslide

Slide 33 - Tekstslide

Luchtdruk 
  • Luchtdruk is de druk die een kolom lucht boven het aardoppervlakte uitoefend. In de lucht duwen luchtdeeltjes tegen elkaar en de aarde. 
  • De luchtdruk meet je een barometer, die meet het aantal bar (nu wordt dat uitgedrukt in Pascal). 
  • Bij een zeer oude de barometer ging het om kwik waar de lucht dan op drukt als het kwik kolom werd ingedrukt was er dus hogere lucht druk. De maat hiervoor was cm. of mm. Dat zie je op sommige barometers ook nog staan. 
De student kan uitleggen wat luchtdruk is en hoe we die meten.

Slide 34 - Tekstslide

Slide 35 - Video

Slide 36 - Tekstslide

De student kan benoemen hoe lucht beweegt rond een hoge- en lagedrukgebied en kan dus op de weerkaart zien waar de wind vandaan komt.

Slide 37 - Tekstslide

Slide 38 - Tekstslide

Hoge en lage luchtdrukgebieden
Lage luchtdrukgebied is een gebied waar door de warmte lucht stijgt, er ontstaan veelal wolken en daarmee regent het vaak. Stijgende lucht koelt af en kan minder waterdamp bevatten. Dus vormt wolken en gaat regenen. 
Daar tegen over heb je dan het hoge luchtdrukgebied waar de lucht daalt. Dalende lucht warmt op en kan meer waterdamp bevatten. Wolken lossen op en de zon komt tevoorschijn.
De student weet het verschil tussen een gebied met hoge luchtdruk en een gebied met lage luchtdruk.

Slide 39 - Tekstslide

Wind en isobaren 
Isobaren zijn de lijnen op de weerkaarten die punten verbinden met dezelfde luchtdruk, met druk kan je zien of een plek een hoge- of lagedrukgebied boven zich heeft. Als je dan weet waar de hoge- en lagedrukgebieden liggen, kan je ook beredeneren hoe de wind beweegt. Namelijk van hoog luchtdrukgebied naar een laag luchtdrukgebied, met een afwijking naar rechts op het  noordelijke halfrond en naar links op het zuidelijke. Dit noemen we het Coriolos-effecrt
Hoe dichter de isobaren bij elkaar liggen hoe sterker de wind wordt. 
De student kan de relatie tussen wind en isobaren op een weerkaart beschrijven.

Slide 40 - Tekstslide

Storm of orkaan?
Of er sprake is van een storm of een orkaan, ligt aan hoe hard het waait. Hoe hard het waait, ligt aan hoe dicht de isobaren bij elkaar liggen. Als die dicht bij elkaar liggen, waait het hard. De windkracht wordt aangegeven op de Schaal van Beaufort. Vanaf windkracht 9 stormt het en vanaf windkracht 12 spreek je van een orkaan. 
De student kan benoemen wanneer er sprake is van een storm en wanneer van een orkaan.

Slide 41 - Tekstslide

Misconcepten over stormen
  • Een tornado is een orkaan. Nee een tornado is een zeer kortdurende (seconden à minuten) en gelokaliseerd windfenomeen. Een orkaan is een enorm windsysteem dat zeer lang kan bestaan (weken).
  • Een typhoon is een storm. Ja, maar wel één met orkaankracht. Typhonen, cyclonen en orkanen zijn allemaal vergelijkbaar en hebben een vergelijkbare oorzaak: een zeer laag drukgebied dat boven tropische zee ontstaat.

Slide 42 - Tekstslide