1.2 personal pronouns en possessive adjective/pronoun

1 / 17
volgende
Slide 1: Tekstslide
EngelsMiddelbare schoolvwoLeerjaar 1

In deze les zitten 17 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Tekstslide

0

Slide 2 - Video

Slide 3 - Tekstslide

Slide 4 - Tekstslide

Vul het juiste woord in. gebruik de personal pronouns
My colleague forgot to leave the documents for _____.

Slide 5 - Open vraag

Vul het juiste woord in. gebruik de personal pronouns
Where is John? _____ went home two hours ago.

Slide 6 - Open vraag

Vul het juiste woord in. gebruik de personal pronouns
I’m pleased for _____.

Slide 7 - Open vraag

Vul het juiste woord in. gebruik de personal pronouns
_____ need to weigh myself.

Slide 8 - Open vraag

Vul het juiste woord in. gebruik de personal pronouns.
She won’t say why _____ left Gerald.

Slide 9 - Open vraag

Slide 10 - Tekstslide

Vul het juiste woord in ( possessive pronoun)
Whose is this bike? Is it really `____?

Slide 11 - Open vraag

Vul het juiste woord in ( possessive pronoun)
Is he ___ teacher?

Slide 12 - Open vraag

Vul het juiste woord in ( possessive pronoun)
Hey Ron! This is not our car. ___ is red.

Slide 13 - Open vraag

Vul het juiste woord in ( possessive pronoun)
Lisa broke ___ left leg.

Slide 14 - Open vraag

Vul het juiste woord in ( possessive pronoun)
Is this Emily's room? – Yes, it's ___.

Slide 15 - Open vraag

Vul het juiste woord in ( possessive pronoun)
I lost ___ pen in the library. Can I have one of ___?

Slide 16 - Open vraag

Slide 17 - Tekstslide