Unit 3 - Final lesson

1 / 35
volgende
Slide 1: Tekstslide
EngelsMiddelbare schoolvmbo kLeerjaar 3

In deze les zitten 35 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Tekstslide

Prepare for the test
 1. to be able to / be allowed to / can, can't / could
2. will / won't
3. some / any

Slide 2 - Tekstslide

Can / could / able to / allowed to
4 manieren:
  • Mogelijkheid
  • Iets wat je kunt
  • Toestemming
  • Beleefde vraag

Slide 3 - Tekstslide

Mogelijkheid




could --> het zou kunnen, maar is onzeker.
can --> iets wat over het algemeen mogelijk is.

Slide 4 - Tekstslide

Iets wat je kunt

Slide 5 - Tekstslide

Toestemming

Slide 6 - Tekstslide

Beleefde vraag

Slide 7 - Tekstslide

Kies het beste antwoord:
It ... be very cold here in winter.
A
can
B
could

Slide 8 - Quizvraag

Kies het beste antwoord:
You ... easily get lost in this town.
A
can
B
could

Slide 9 - Quizvraag

Kies het beste antwoord:
It's ten o'clock. They ... have arrived by now.
A
can
B
could

Slide 10 - Quizvraag

Kies het beste antwoord:
When she was young, she ... speak several languages.
A
can
B
could
C
is able to
D
was able to

Slide 11 - Quizvraag

Kies het beste antwoord:
When he was 40, he ... speak six languages.
A
can
B
could
C
was able to
D
is able is

Slide 12 - Quizvraag

Kies het beste antwoord:
After 6 hours climbing, we ... reach the top of the mountain.
A
can
B
are able to
C
was able to
D
were able to

Slide 13 - Quizvraag

Kies het beste antwoord:
If you tell him your problem he might ... help you.
A
can
B
could
C
be able to
D
were able to

Slide 14 - Quizvraag

Kies het beste antwoord:
Children ... run in the school building.
A
can't
B
couldn't
C
aren't able to
D
aren't allowed to

Slide 15 - Quizvraag

Fill in the gap:
_____ you help me with my bags please?
A
can
B
can't
C
could

Slide 16 - Quizvraag

Will + full verb
Wanneer gebruik je voor de toekomende tijd will? 
  • Iets gaat gebeuren in de toekomst 
  • Wanneer er iets spontaan gebeurd/voorstel  
                  It will rain tomorrow. 

Wat is de vertaling?
  • In het Nederlands vertaal je will naar zullen of zal

Slide 17 - Tekstslide

Ontkenningen
Hoe maak je een ontkenning in de toekomende tijd met will?
  • Will not + full verb
  • Won't + full verb                             She won't buy a new car.

Wat is de vertaling?
In het Nederlands vertaal je won't naar zal niet

Slide 18 - Tekstslide

Vragende zinnen
Bij vragen zet je 'will' voor het onderwerp.

Will he see us again?

Bij vragen met 'I' en 'we' gebruik je 'shall' in plaats van 'will'.

Shall we go on a date?

Slide 19 - Tekstslide

I don't like Stefan. I .... him with his homework.
A
will help
B
will not help
C
won't help
D
help

Slide 20 - Quizvraag

Look at the dark clouds. It ... soon.
A
will
B
rains
C
rain
D
will rain

Slide 21 - Quizvraag

I have football practise tonight. We ... a movie tonight.
A
will watch
B
will watches
C
won't watches
D
won't watch

Slide 22 - Quizvraag

She ___________ turn sixteen next June.
Future + will / shall: we / shall + hele werkwoord
will
shall

Slide 23 - Sleepvraag

___________ I help you with your homework?
Future + will / shall: we / shall + hele werkwoord
Will
Shall

Slide 24 - Sleepvraag


    The weather ________ be sunny and dry tomorrow.

    Marc ________ join us for dinner, he's not hungry.

   _______ we meet at eight on Friday?

     Maybe they _______ give you you money back if you ask nicely.
will
won't
shall
will

Slide 25 - Sleepvraag

Slide 26 - Tekstslide

SOME / ANY
Some en any hebben dus dezelfde betekenis, 
maar worden in verschillende soorten zinnen gebruikt. 

Some gebruik je in bevestigende zinnen, deze eindigen altijd met een punt of een uitroepteken en er staat geen 'not' in.
(& bij vraagzinnen waar het antwoord 'Ja' is)

Any gebruik je in zinnen met een vraagteken 
en zinnen met het woord 'not' er in.

Slide 27 - Tekstslide

Daffy has some money.
Patrick doesn't have any money.

Slide 28 - Tekstslide

I have ___ apples left.
A
any
B
some

Slide 29 - Quizvraag

He hasn't got ___ time.
A
any
B
some

Slide 30 - Quizvraag

Are there ___ cakes left?
A
any
B
some

Slide 31 - Quizvraag

Would you like ____ water?
A
Some
B
Any

Slide 32 - Quizvraag

They went to town, but they didn't have ... money.
A
some
B
any
C
somebody
D
anybody

Slide 33 - Quizvraag

I need ... apples, but I don't need ... pears.
A
any... any
B
some... some
C
any... some
D
some... any

Slide 34 - Quizvraag

Time to work!
QUIZLET

Slide 35 - Tekstslide