Beroepen - 4/9

Beroepen
1 / 38
volgende
Slide 1: Tekstslide
NT2BasisschoolGroep 4

In deze les zitten 38 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Beroepen

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Lesdoelen / Plan van vandaag
Je leert nieuwe woorden van beroepen
Je oefent met werkwoorden in de tegenwoordige tijd = nu

Je oefent met de werkwoorden in de verleden tijd 
= vroeger

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

de bouwvakker
de vrachtwagenchauffeur
de kapper
de timmerman
de buschauffeur

Slide 3 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

de verkoopster
de fietsenmaker
de leerkracht
de advocaat
de dokter
de agent

Slide 4 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Hoe zit dat ook alweer?
Werkwoorden in de tegenwoordige tijd
Bijvoorbeeld werken

Ik werk ( ik doe het, dus ik schrijf de stam)
Je werkt (jij doet het, dus ik schrijf stam + t)
Hij werkt (hij doet het, dus ik schrijf stam + t)

Maar……….. Werk je? (als “je” achter de pv staat, schrijf je de stam)

Slide 5 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

wat doen ze?
rijdt in een bus
geeft les
knipt haren
 maakt daken, trappen

Slide 6 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

verkoopt spullen (kleding)
onderzoekt mensen
vult vakken
maakt fietsen

Slide 7 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

duiken
ruiken
springen
bakken
koken

Slide 8 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

zwemmen
volleyballen
voetballen
korfballen

Slide 9 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

de <b>kapper</b>.......... de haren van de man
je broer .................een boek in de bibliotheek
de <b>vrachtwagenchauffeur</b>....................naar Duitsland
de <b>fietsenmaker</b>.............................mijn fiets vandaag nog.
maakt
knipt
rijdt
leest

Slide 10 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

rennen
dansen
lezen 
eten
bouwen

Slide 11 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Welke vorm van het werkwoord past er in deze zin?

Ik .... deze opdracht.
A
maken
B
maakt
C
maak
D
maakten

Slide 12 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Welke vorm van het werkwoord past er in deze zin?

Ik heb deze opdracht .....
A
gemaakd
B
gemaakt
C
gemaak
D
gemaakten

Slide 13 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Welke vorm van het werkwoord past er in deze zin?

De jongens .... een potje voetbal.
A
spelen
B
speel
C
speelde
D
speelt

Slide 14 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Welke vorm van het werkwoord past er in deze zin?

De jongens hebben een potje voetbal... .
A
gespelen
B
gespeel
C
gespeeld
D
gespeelt

Slide 15 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

spelen
Ik............

Slide 16 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

spelen
Ik............
Schrijf ze allebei! eerste -te/de
tweede: heb ge...d/t

Slide 17 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

niezen
Ik ...........

Slide 18 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

praten
Ik .............

Slide 19 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

praten
Ik .............

Slide 20 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies


Vervoeg in de tegenwoordige tijd.
A
vind
B
vint
C
vindt
D
vond

Slide 21 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies


Vervoeg in de Verleden tijd.
A
vond
B
vondt
C
vont
D
vind

Slide 22 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies


Vervoeg in de tegenwoordige tijd.
A
gebruikt
B
gebruikd
C
gebruikte
D
gebruiken

Slide 23 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Hij......(rennen) een eindje de zee in
A
rente
B
rendt
C
rent
D
rend

Slide 24 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Hij......(rennen) een eindje de zee in.
Verleden tijd.
A
rente
B
rende
C
renten
D
renden

Slide 25 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is het werkwoord in de volgende zin?

"Wij gaan morgen op reis."
A
wij
B
gaan
C
morgen
D
reis

Slide 26 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is het werkwoord in de volgende zin?

"Ik koop vandaag een nieuwe broek."
A
Ik
B
koop
C
vandaag
D
broek

Slide 27 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is het werkwoord in de volgende zin?

"Wij eten vandaag pasta"
A
wij
B
vandaag
C
pasta
D
eten

Slide 28 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

De hele klas.....morgen naar de verjaardag.( gaan)

Slide 29 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies


de caissière ............ het geld. (tellen)

Slide 30 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

De jongen ..... een beetje moe.
A
ben
B
bent
C
is
D
zijn

Slide 31 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

De jongen ..... een beetje moe.
A
is
B
was
C
geweest
D
waren

Slide 32 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Younes en Hasan ...... morgen vrij.
A
ben
B
bent
C
is
D
zijn

Slide 33 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

..... jij vandaag een beetje boos?
A
Ben
B
Bent
C
Is
D
Zijn

Slide 34 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Jullie ...... vanaf nu ook les van juf Juul.
A
heb
B
hebt
C
heeft
D
hebben

Slide 35 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

De hond ...... zijn bot helemaal opgegeten.
A
heb
B
hebt
C
heeft
D
hebben

Slide 36 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Je ..... toch niet dat papier weggegooid?
A
heb
B
hebt
C
heeft
D
hebben

Slide 37 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies


Ik beoordeel deze les met het cijfer (kies een cijfer van 1-10, waarbij 10 het hoogste is).
010

Slide 38 - Poll

Laat de leerlingen de les beoordelen. Je kan eventueel nog vragen waar zij hun cijfer op baseren. Wat vonden ze goed/niet goed.