In deze les zitten 30 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.
Lesduur is: 50 min
Onderdelen in deze les
Chapitre 3 - le collège
woorden/zinnen (Bron A,B,E en F)
Werkwoorden être (Bron C) en avoir
bezittelijk voornaamwoord (Bron H)
cijfers tot met 70
Slide 1 - Tekstslide
Luisteren - écouter
- 1 fragment
- 3 vragen
Slide 2 - Tekstslide
Zitten Mathilde en Djamel in dezelfde klas?
Luisterfragment
A
Ja
B
Nee
Slide 3 - Quizvraag
Wat is waar over Mathilde?
Ze heeft vandaag:
Luisterfragment
A
Engels, wiskunde en een toets voor aardrijkskunde
B
Engels, tekenen en aardrijkskunde
C
Engels, wiskunde en geschiedenis
Slide 4 - Quizvraag
Wat is Djamels favoriete vak? Vertel ook waarom.
Luisterfragment
Slide 5 - Open vraag
Woorden en zinnen
- Woorden A,B,E en F
- Zinnen C en G
- Dagen v/d week
- 6 vragen
Slide 6 - Tekstslide
Wat betekent:
Le mercredi, j'ai dessin.
A
Op woensdag heb ik tekenen.
B
Op vrijdag heb ik Frans.
C
Op woensdag heb ik geschiedenis.
D
Op vrijdag heb ik tekenen.
Slide 7 - Quizvraag
Vertaal de zin: Wie is jouw leraar Nederlands?
Slide 8 - Open vraag
In Chapitre 3 staan veel woorden om iemand te beschrijven. Bijvoorbeeld: sympa - aardig. Zoek in Bron B ,E en F nog 4 Franse woorden om iemand te beschrijven.
Slide 9 - Open vraag
Werkwoorden
commencer
noter
travailler
oublier
faire
vergeten
beginnen
opschrijven
maken/doen
werken
Slide 10 - Sleepvraag
Wat betekent:
Non, je n'aime pas l'histoire.
A
Nee, ik houd niet van aardrijkskunde.
B
Nee, ik kan geen geschiedenis.
C
Nee, ik houd niet van geschiedenis.
Slide 11 - Quizvraag
Hoe zeg je: Is hij serieus?
Slide 12 - Open vraag
Grammaire - être
- het werkwoord être/ avoir
-5 vragen
Slide 13 - Tekstslide
Wat betekent:
Nous sommes
A
wij zijn
B
jullie zijn
C
wij hebben
D
hij is
Slide 14 - Quizvraag
Hoe zeg je: zij is aardig
Slide 15 - Open vraag
Vul de goede vorm van être in bij zin 1, 2 en 3
Slide 16 - Open vraag
Elles (avoir)
A
avoir
B
as
C
ont
D
a
Slide 17 - Quizvraag
Kies de juiste vorm van avoir: Marie ________ (avoir)
A
ai
B
as
C
a
D
avons
Slide 18 - Quizvraag
Grammaire - bezittelijk voornaamwoord
- grammatica bezittelijk voornaamwoord (Bron H)
- 3 vragen
Slide 19 - Tekstslide
Welke woorden gebruik je voor - jouw -
A
mon, ma, mes
B
ton, ta, tes
C
son, sa, ses
Slide 20 - Quizvraag
Hoe zeg je: jouw klas
Slide 21 - Open vraag
Vertaal het bezittelijk voornaamwoord tussen haakjes. Kies het goede bezittelijk voornaamwoord.
_________ (zijn) oncles
A
ton
B
tes
C
son
D
ses
Slide 22 - Quizvraag
Vertaal het bezittelijk voornaamwoord tussen haakjes. Kies het goede bezittelijk voornaamwoord.
_________ (haar) père
A
sa
B
ta
C
son
D
ton
Slide 23 - Quizvraag
In de brief staat 14x een bezittelijk voornaamwoord. Schijf er 7 op met het woord dat er bij hoort. Voorbeeld: ma mère