Herhaling: haben, sein en woorden
Herhaling: haben, sein en woorden
Open de les als oefentoets-achtige herhaling: eerst basis van haben en sein, daarna de opgegeven woorden en voorbeeldzinnen.
Lesdoel
Ik kan sein correct gebruiken en de woorden en zinnen over naam, leeftijd en woonplaats in het Duits herkennen en toepassen.
Deze slide heeft geen instructies
Vervoeging in de tegenwoordige tijd
sein
ich bin
du bist
er/sie/es ist
wir sind
ihr seid
sie/Sie sind
Benadruk vooral ich en du, omdat die het meest terugkomen in de voorbeeldzinnen.
jij bent
ich bin
du bist
er ist
Sie sind
Deze slide heeft geen instructies
u bent
sie ist
Sie sind
sie sind
wie sind
Deze slide heeft geen instructies
ik ben
ich bin
ihr sied
sie ist
du bist
Deze slide heeft geen instructies
hij is
Deze slide heeft geen instructies
Lisa is.
Deze slide heeft geen instructies
u bent
Deze slide heeft geen instructies
Woordenlijst 1
de naam - der Name
hoe - wie
veertien - vierzehn
het jaar - das Jahr
Nederland - die Niederlande
Wijs op hoofdletters bij Duitse zelfstandige naamwoorden: Name en Jahr.
Nederland
Niederlande
die Niederlande
dem Niederlande
die niederlande
Deze slide heeft geen instructies
de naam
der Name
die Name
das Name
der Nahme
Deze slide heeft geen instructies
hoe
where
wie
wer
wo
Deze slide heeft geen instructies
het jaar
die Jahr
der Name
das Jahr
Answer D
Deze slide heeft geen instructies
Woordenlijst 2
wonen - wohnen
heten - heißen
zes - sechs
de straat - die Straße
Wijs op de ß in Straße en de uitspraak van heißen.
de straat
Deze slide heeft geen instructies
wonen
Deze slide heeft geen instructies
heten
Deze slide heeft geen instructies
zes
Deze slide heeft geen instructies
Welke spelling is correct?
strase
Straße
Strassee
straß
Sluit aan op de spellingsslide met ß.
Welke zin is correct Duits?
Wie heißt du?
Wie alt du bist?
Ich habe vierzehn Jahre alt.
Ich wohne in Niederlande.
De foute opties zijn typische fouten: woordvolgorde, hebben bij leeftijd en ontbrekend lidwoord.
Wat vond je nog lastig in deze oefentoets?
Laat leerlingen benoemen waar hun moeite zit, bijvoorbeeld sein/haben, ß-spelling of woordvertalingen.