Natievorming en staat (Maatschappijwetenschappen vwo), les 2: Examentraining

BINDING · NATIEVORMING

Examentraining

Natievorming en staat: zo pak je examenvragen aan

1 / 17
volgende
Slide 1: Slide
newEditorMaatschappijwetenschappenMiddelbare schoolvwoLeerjaar 4-6

In deze les zitten 17 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min
Dit is niet oké

Introductie

Examentraining met vier vraagtypen: natievorming en staatsvorming, collectieve actie en de staat, effecten van globalisering, staat en Europa vergelijken. Acht vragen in examenstijl.

Onderdelen in deze les

BINDING · NATIEVORMING

Examentraining

Natievorming en staat: zo pak je examenvragen aan

Les 2 van 3. Laat leerlingen in tweetallen overleggen bij de open vragen. Image credit: Saulius Gruodis, Lithuanian State Central Archives / Wikimedia Commons, CC BY 4.0

BINDING · NATIEVORMING

Wat ga je kunnen?

Ik kan beredeneren wat natievorming, staatsvorming, collectieve actie en globalisering betekenen voor de binding met de staat.

Deze slide heeft geen instructies

BINDING · NATIEVORMING

Zo pak je een examenvraag aan

  • 1. Lees: welke ontwikkeling staat in de casus en over welke binding gaat het: staat, natie of Europa?

  • 2. Zoek: onderstreep de aanwijzing, zoals één taal, belasting, een grensoverschrijdend probleem of geen gezamenlijke media.

  • 3. Beredeneer: koppel de ontwikkeling aan het effect op de binding, met 'doordat'.

  • 4. Schrijf: begrip, aanwijzing uit de casus en effect op de binding.

Deze slide heeft geen instructies

BINDING · NATIEVORMING

Vraagtype 1: natievorming en staatsvorming

  • Ging de staat vooraf: nationale identiteit is het gevolg en elites binden de bevolking met taal, onderwijs en symbolen.

  • Ging de natie vooraf: regionale elites voeden een identiteit die een eigen staat wil.

  • Controleer in de casus wat er eerst was.

Deze slide heeft geen instructies

Een Rivaanse taalgroep eist een eigen staat. Welke volgorde past hierbij?

A

Staatsvorming gaat vooraf aan natievorming

B

Er is sprake van een natiestaat

C

Natievorming gaat vooraf aan staatsvorming

D

Er is geen sprake van natievorming

Syllabus 16.1: een natie die een eigen staat nastreeft, is er al voor de staat. Verwachte fout: staatsvorming eerst kiezen, omdat het woord staat in de casus voorkomt.

Land A: eerst staat, dan natie. Hoe kan dat?

Goed antwoord: elites bonden de bevolking aan de staat met één taal, onderwijs, vaderlandse geschiedenis, feestdagen, symbolen of dienstplicht. Verwachte fout: zeggen dat de natie vanzelf ontstond. Syllabus 16.1.

BINDING · NATIEVORMING

Vraagtype 2: collectieve actie en de staat

  • Collectief goed: iedereen profiteert, maar markt en burgers leveren het niet vanzelf.

  • De staat dwingt bijdragen af met democratische procedures of dreiging met geweld.

  • Gevolg: het leveren van collectieve goederen versterkt de legitimiteit van de overheid.

Deze slide heeft geen instructies

De overheid levert onderwijs en zorg waar de markt dat niet deed. Gevolg?

A

De legitimiteit van de overheid groeit

B

De free riders nemen toe

C

De burgers voelen minder binding met de staat

D

De staat verliest zijn geweldsmonopolie

Syllabus 16.2: het leveren van collectieve goederen draagt bij aan de legitimiteit van de overheid. Verwachte fout: denken dat staatsingrijpen de binding verzwakt.

Waarom ontstond de verzorgingsstaat?

Goed antwoord: bedreigingen als arbeidsonrust, epidemieën en analfabetisme en nieuwe eisen door democratisering en uitgebreid kiesrecht. Verwachte fout: alleen de economie noemen. Syllabus 16.2.

BINDING · NATIEVORMING

Vraagtype 3: effecten van globalisering

  • Benoem het proces: grensoverschrijdend probleem, internationale organisatie of Europese integratie.

  • Redeneer: afhankelijkheid groeit en de autonomie van de staat neemt af.

  • Noem wat de nationale binding in stand houdt, zoals verzet, eigen beleid en nationale media.

Deze slide heeft geen instructies

Ngo's en multinationals beïnvloeden steeds meer het beleid van Land B. Effect?

A

De afhankelijkheid van andere actoren neemt af

B

De autonomie en macht van de staat nemen af

C

Het geweldsmonopolie van de staat wordt groter

D

De staat wordt daardoor een natiestaat

Syllabus 16.3: de groeiende invloed van ngo's, multinationals en intergouvernementele organisaties tast de autonomie en macht van staten aan. Verwachte fout: de staat als natiestaat zien, een ander begrip.

Veel Nederlanders steunen eigen beleid op softdrugs en euthanasie. Wat blijkt?

A

De binding met Europa is sterker dan met de staat

B

Globalisering heeft geen effect op staten

C

De nationale staat heeft zijn autonomie verloren

D

De binding met de nationale staat blijft sterk

Syllabus 16.3: steun voor typisch Nederlands beleid laat zien dat waarde wordt gehecht aan de nationale identiteit en de autonomie van de staat. Verwachte fout: 'autonomie verloren' kiezen, want de casus toont juist behoud van binding.

BINDING · NATIEVORMING

Vraagtype 4: staat en Europa vergelijken

  • Vergelijk bindende factoren: één taal, geschiedenis op school, dienstplicht, feestdagen, gedeelde herkomst en cultuur.

  • Op Europees niveau zijn ze grotendeels afwezig.

  • Noem ook media, culturele verschillen en tegenstrijdige belangen.

Deze slide heeft geen instructies

Burgers voelen zich vooral verbonden met hun land. Welke verklaring past?

A

Media geven vooral aandacht aan nationale politiek

B

Europa heeft geen invloed op nationale besluiten

C

Alle EU-burgers delen één taal en geschiedenis

D

Landen hebben op Europees niveau dezelfde belangen

Syllabus 16.4: nationale media berichten meer over nationale politiek dan over Europese ontwikkelingen. Verwachte fout: 'Europa heeft geen invloed' kiezen, want Europa tast de autonomie van landen juist aan.

Twee redenen voor zwakke binding met Europa?

Goed antwoord: twee van geen gedeelde taal of geschiedenisonderwijs, geen breed gevoel van gemeenschappelijke lotsbestemming, grote culturele verschillen, tegenstrijdige belangen, geen gezamenlijke Europese media. Verwachte fout: zeggen dat Europa geen macht heeft. Syllabus 16.4.

Welk vraagtype vind jij het lastigst?

1

Natievorming en staatsvorming

2

Collectieve actie en de staat

3

Effecten van globalisering

4

Staat en Europa vergelijken

Deze slide heeft geen instructies

BINDING · NATIEVORMING

Tips voor op het examen

  • Een natie is een groep mensen, een staat een politieke eenheid: noem altijd welke je bedoelt.

  • Bij 'eerst de staat' hoort natievorming als strategie van elites, bij 'eerst de natie' regionale elites die zich willen afscheiden.

  • Collectieve actie: noem collectief goed, free riders en de rol van de staat, en koppel dat aan legitimiteit.

  • Redeneer bij globalisering altijd twee kanten op: autonomie van de staat neemt af, maar nationale binding verdwijnt niet snel.

Deze slide heeft geen instructies