Lesson 4.1

Monday, 12 June





Phone in the phonebag? Coat in the hallway? Books, notebook, Chromebook & a pen on your table? Awesome!
1 / 21
volgende
Slide 1: Tekstslide
EngelsMiddelbare schoolvmbo kLeerjaar 3

In deze les zitten 21 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

Onderdelen in deze les

Monday, 12 June





Phone in the phonebag? Coat in the hallway? Books, notebook, Chromebook & a pen on your table? Awesome!

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Plan
  • World Child labour day
  • Goals
  • New Phrases
  • Flashback
  • Check goals
  • Check Homework
  • New Homework

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

World day against child labour
What does it mean?

You are going to watch a video about child labour, keep these questions in mind: 
How does the video make you feel? What would you do/feel If you were one of the children? 

Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 4 - Video

Deze slide heeft geen instructies

World day against child labour


How does the video make you feel? What would you do/feel If you were one of the children? 

Slide 5 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Goals
Aan het einde van de les weet ik wat Question tags zijn en hoe ik deze moet gebruiken.

Slide 6 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

New Phrases

Slide 7 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 8 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 9 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

What did we do yesterday?

Slide 10 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

My/Mine/of mine
Je gebruikt deze woorden om aan te geven van wie iets is.

This is my bike.
That bike is ours.
That bike of theirs.

Slide 11 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 12 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Question tags
Dit is een korte vraag aan het einde van de zin.
In het Nederlands zeg je vaak hé? of toch?
(+) It's a fast bike.
(-) It wasn't true.
(+) She likes him.
(-) isn't it?
(+) was it?
(-) doesn't she?

Slide 13 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Question tags
She sings beautifully,____?

A
isn't it?
B
doesn't she?
C
didn't she
D
don' t she

Slide 14 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat wordt de question tag?
Pete is sick,............?
A
is he
B
isn't he
C
is Pete
D
isn't Pete

Slide 15 - Quizvraag

Het werkwoord in de zin ( gedeelte voor de komma) staat zonder not. Dan moet dit werkwoord in tag met not.

Pete is een naam en die mag niet in de tag voorkomen. Pete is een he.
Question tags
Welke zin is correct?
A
Tom is very strong, is he?
B
Tom is very strong, isn't he?
C
Tom isn't very strong, isn't he?
D
Tom is very strong, is'nt Tom?

Slide 16 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Question tags.
She is 35, ________?
A
is she
B
isn't she
C
does she
D
doesn't she

Slide 17 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat wordt de question tag?
She was late, _______?
A
was she
B
wasn't she
C
does she
D
doesn't she

Slide 18 - Quizvraag

Het werkwoord in de zin ( gedeelte voor de komma) staat zonder not. Dan moet dit werkwoord in tag met not.
Aan het einde van de les weet ik wat Question tags zijn en hoe ik deze moet gebruiken.
A
Volledig!
B
Helemaal niet!
C
Redelijk
D
Een beetje

Slide 19 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Go to page 125, ex. 39 t/m 43

Slide 20 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Homework
When:
Tuesday, 5th hour
Do:
Practise More Unit 6, lesson 4
Finished? WRTS.nl
Study:
All words Unit 1 - 6
How?
You may work in pairs but don't talk too loudly.

Slide 21 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies