Lesweek 1: les 1

1 / 27
volgende
Slide 1: Tekstslide
MarketingMBOStudiejaar 1

In deze les zitten 27 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Leerdoelen
  • Je legt uit wat het begrip waardepropositie betekend. 
  • Je benoemt de marktvormen en legt uit wat de kenmerken zijn van de marktvormen. 
  •  Je herkent de verschillende marktvormen in bepaalde situaties. 

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Marketingconcepten, - theorieën, - en modellen
Nieuw hoofdstuk met nieuwe begrippen. 

Aan van het hoofdstuk een toets. 

Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Waardepropositie

Slide 4 - Tekstslide

De waardepropositie draait om de vraag “waarom zou ik bij jou iets moeten kopen?”. In een goede waardepropositie beantwoord je de volgende vragen voor de klant:

Wat heb ik er aan?
Waarom moet ik juist voor jou kiezen?
Waarin ben je anders dan de rest?
Wat is jouw unieke voordeel?
Waardepropositie

Slide 5 - Tekstslide

De waardepropositie draait om de vraag “waarom zou ik bij jou iets moeten kopen?”. In een goede waardepropositie beantwoord je de volgende vragen voor de klant:

Wat heb ik er aan?
Waarom moet ik juist voor jou kiezen?
Waarin ben je anders dan de rest?
Wat is jouw unieke voordeel?
Waardepropositie
Op basis van de positionering ontwikkel je een propositie

Propositie = totale aanbod van je product (incl. imago, prijs, service en verkooppunten)

Waardepropositie = totale aanbod + 'voordelen' of waarden voor de klant

Bekijk ook de volgende video's, wat is het verschil?

Slide 6 - Tekstslide

De waardepropositie draait om de vraag “waarom zou ik bij jou iets moeten kopen?”. In een goede waardepropositie beantwoord je de volgende vragen voor de klant:

Wat heb ik er aan?
Waarom moet ik juist voor jou kiezen?
Waarin ben je anders dan de rest?
Wat is jouw unieke voordeel?
Wat benoemen ze?
Eigenschappen.
Mooi, rood, blauw, klein, groot, blauwe inkt, duur, goedkoop..

De propositie:
Product zijn image, service, prijs, verkooppunten.
Het totale aanbod.

Slide 7 - Tekstslide

De waardepropositie draait om de vraag “waarom zou ik bij jou iets moeten kopen?”. In een goede waardepropositie beantwoord je de volgende vragen voor de klant:

Wat heb ik er aan?
Waarom moet ik juist voor jou kiezen?
Waarin ben je anders dan de rest?
Wat is jouw unieke voordeel?
Marktvormen
Om welke marktvorm het gaat, wordt vooral bepaald door twee factoren: 

  • de aard van de producten
  • het aantal aanbieders (die deze producten verkopen)

Slide 8 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Aanbieders
Een aanbieder is aanwezig op de markt om goederen of diensten te verkopen aan haar vragers. 

In een markt kan je één aanbieder, een beperkt aantal aanbieders of veel aanbieders hebben

Slide 9 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

De vrager (afnemer)
Als jij iets wilt kopen, dan ben je aan afnemer: je vraagt of verlangt naar een product of dienst. 
In een markt kan er één afnemer zijn, een beperkt aantal afnemers of veel afnemers.

Slide 10 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

De aard van het product

Homogene goederen zijn producten waarvan elke eenheid in de ogen van de afnemer precies hetzelfde is

Heterogene goederen zijn goederen of diensten waar je als klant verschillen in kan zien

Slide 11 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Marktvormen
Als je weet hoeveel aanbieders en vragers er zijn, en welke aard het product heeft (homogeen/heterogeen) kan je de marktvorm bepalen:

  • Volledige mededinging
  • Monopolie
  • Oligopolie (heterogeen of homogeen)
  • Monopolistische concurrentie

Slide 12 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Volledige mededinging
In een volkomen concurrentie zijn veel vragers en aanbieders. Het is een homogeen product. De prijs is al bepaald door de hoeveelheid aanbieders en hoeveelheid vragers. In mijn eentje naar een andere aanbieder stappen, verandert de prijs niet. 

Slide 13 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Monopolie
Bij een monopolie zijn er veel vragers en is er maar één aanbieder. Logischerwijs een homogeen goed.  

De prijs is meestal hoog, want er is geen concurrentie. 

Slide 14 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Oligopolie
Een oligopolie heeft veel vragers en weinig/beperkt aantal aanbieders. Veel producten die je kent zijn producten van een oliopolist. De bedrijven houden elkaar in de gaten: als een grote concurrent de prijs verlaagt, kan jij als bedrijf niet 200 euro duurder zijn.

Producten kunnen homogeen of heterogeen zijn.

Soms is er ook sprake van kartels tussen bedrijven.

Slide 15 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Monopolistische concurrentie

Lijkt op een volkomen concurrentie. Maar hier is het een heterogeen goed. Marketing en reclame zijn belangrijk om een aandeel in het markt te krijgen. 

Slide 16 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

De 4 marktvormen: overzicht

Slide 17 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

En nu?
Een quiz!!!

Slide 18 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Bij welke producten kan de marktvorm oligopolie ontstaan?
A
Benzine
B
Mobiele telefoons
C
Cola
D
Vliegreizen

Slide 19 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Veel vragers, veel aanbieders, homogeen product.
A
Monopolie
B
Volkomen concurrentie
C
Homogeen oligopolie
D
Monopolistische concurrentie

Slide 20 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Welke marktvorm hoort bij de markt van telefoons.
A
Oligopolie
B
Monopolistische concurrentie
C
Monopolie
D
Volkomen concurrentie

Slide 21 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

MONOPOLIE
VOLKOMEN CONCURRENTIE
MONOPOLISTISCHE CONCURRENTIE
OLIGOPOLIE
2
Aanbieders: één

Heterogeen / homogeen: beide

1
Aanbieders: veel

Heterogeen / homogeen: heterogeen


3
Aanbieders: enkele

Heterogeen / homogeen: beide

4
Aanbieders: veel

Heterogeen / homogeen: homogeen

Slide 22 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

GEEF EEN VOORBEELD VAN TOEGEVOEGDE WAARDE AAN EEN PRODUCT?

Slide 23 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

1 aanbieder op de markt, dit is een
A
oligopolie
B
volkomen concurrentie
C
monopolistische concurrentie
D
monopolie

Slide 24 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Het aanbieden van games, smartphones kunnen alleen de grote bedrijven, dit is een
A
oligopolie
B
monopolistische concurrentie
C
volkomen concurrentie
D
monopolie

Slide 25 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Suiker, graan en houtskool zijn voorbeelden van producten die nagenoeg hetzelfde zijn. Deze marktvorm is een
A
oligopolie
B
monopolistisch concurrentie
C
volkomen concurrentie
D
monopolie

Slide 26 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Opdrachten maken
Opdracht 2.01 t/m 2.03

Slide 27 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies