Zondag 13-9-2020

Goedemorgen! 
1 / 76
volgende
Slide 1: Tekstslide
ANT2+BasisschoolGroep 5

In deze les zitten 76 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 2 videos.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

Goedemorgen! 

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

De lesdoelen vandaag:
Aan het einde van deze les:

1. Kan ik vertellen wat hunebedden zijn 
2. Kan ik een zin ontleden in persoonsvorm en onderwerp en werkwoordelijk gezegde
3. Heb ik geoefend met de spelling van werkwoorden 

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Waar denk jij aan bij het woord hunebed?

Slide 3 - Woordweb

Deze slide heeft geen instructies

Slide 4 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Hunebedden liggen vooral in Drenthe. Welke kleur heeft de provincie Drenthe?
A
geel
B
bruin
C
paars
D
groen

Slide 5 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Veel hunebedden zijn nog ouder dan de piramides in Egypte. Waar of niet waar?
A
waar
B
niet waar

Slide 6 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is een overeenkomst tussen een piramide in Egypte en een hunebed in Drenthe?

Slide 7 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is een verschil tussen de hunebedden en de piramides in Egypte?

Slide 8 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Door wie zijn hunebedden gebouwd?
A
Door reuzen
B
Door machines
C
Door mensen
D
Ze zijn toevallig ontstaan

Slide 9 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Hoe denk jij dat de hunebedden gebouwd werden?

Slide 10 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Pak een leeg blaadje voor je, deze heb je straks nodig bij het bekijken van het volgende filmpje. 
Je gaat een gebruiksaanwijzing schrijven voor het bouwen van een hunebed. Schrijf alle stappen netjes op en maak er na afloop van het filmpje tekeningen bij. 

Slide 11 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

5

Slide 12 - Video

Deze slide heeft geen instructies

00:45
Stap 1
schrijf de eerste stap op van je gebruiksaanwijzing. 
Bijvoorbeeld:
1. Wacht tot de winter. Leg de stenen op houtstammen en vervoer de stenen met ossen naar de juiste plaats. 

Slide 13 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

00:51
Schrijf nu stap 2 op

Slide 14 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

00:54
En stap 3

Slide 15 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

00:58
Stap 4

Slide 16 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

01:05
Stap 5

Slide 17 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 18 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Misschien heb je ze ooit wel eens gezien. Hele grote stenen die op elkaar zijn gestapeld. Omdat de stenen zo groot zijn, zit er een ruimte onder. Die ruimte lijkt wel een kamer. Deze hoop met stenen noemen we een hunebed. In Drenthe zijn er zo’n vijftig hunebedden te vinden. Er liggen er ook een paar in Groningen. Maar hunebedden kun je niet alleen in Nederland vinden. Ook in Duitsland, Denemarken en Zweden zijn erg veel hunebedden.


De eerste boeren
De allereerste mensen op aarde reisden veel rond. Ze jaagden op dieren en verzamelden zo voedsel. Ongeveer 5.000 jaar geleden, aan het eind van de steentijd, bleven mensen voor het eerst op een vaste plek wonen. Dit waren de eerste boeren. Deze boeren leefden in lemen boerderijen. Ze hadden toen nog geen trekkers, maar gebruikten werktuigen van hout en steen. Ook maakten de boeren potten. In deze potten konden ze het eten bewaren. Deze boeren hebben de hunebedden gebouwd. 

Slide 19 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

 
Grafkamers

De boeren bouwden de hunebedden om overleden mensen in te begraven. Het waren eigenlijk dus grafkamers. Grafkamers die meer dan 5.000 jaar oud zijn! In deze grafkamers werden niet alleen de dode mensen neergelegd. De boeren legden ook potten, gereedschappen, wapens en sieraden in de hunebedden. Deze voorwerpen waren bedoeld voor het leven na de dood. De boeren van toen geloofden dat mensen na hun dood verder leefden. De grafgeschenken zouden dan goed van pas komen.
Trechterbeker


Veel van deze grafgeschenken zijn terug gevonden in de grond onder de hunebedden. Daarom weten we nu dat de hunebedden werden gebouwd om overleden mensen in te begraven. Eén van de meest bijzondere voorwerpen was de trechterbeker. Dit was een beker in de vorm van een trechter. De boeren die de hunebedden bouwden, stonden bekend om het maken van deze bekers. In Drenthe kun je deze bijzondere bekers en heel veel grafgeschenken bekijken. Ook kun je een kijkje nemen in de hunebedden. De botten van de dode mensen zijn er helaas niet meer. Die zijn in 5.000 jaar tijd al helemaal vergaan door de natuur.

Slide 20 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Welke uitspraak is waar?
A
Hunebedden zijn om in te slapen
B
Hunebedden zijn piramides
C
Hunebedden zijn standbeelden
D
Hunebedden zijn hopen met stenen

Slide 21 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Welke woorden passen het best bij de eerste boeren?
A
reizen - potten verkopen - hunebedden - jagen
B
boerderij - werktuigen van hout en steen - potten maken - hunebedden bouwen
C
hunebedden als boerderij - potten zoeken - reizen -werktuigen van steen
D
trekkers - boerderijen van steen - potten maken - hunebedden zoeken

Slide 22 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Waarom bouwden de eerste boeren hunebedden?
A
Om overleden mensen in te begraven
B
Om in te slapen
C
Om in te kunnen wonen
D
om spullen in te bewaren

Slide 23 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat voor voorwerpen werden onder andere als grafgeschenken in de hunebedden gelegd?
Teken deze voorwerpen

Slide 24 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Waarom legden de eerste boeren grafgeschenken in de hunnebedden?
A
Ze hadden een plek nodig om de spullen op te ruimen.
B
De doden konden de geschenken gebruiken in het leven na de dood.
C
Zodat wij nu weten wie de hunebedden maakten.
D
De doden hadden deze voorwerpen zelf gemaakt.

Slide 25 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Waarom zijn de botten van dode mensen niet meer te vinden in de hunebedden?

Slide 26 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Spelling -teit

Slide 27 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Spelling -teit

Slide 28 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Dat hij zijn zoon niet vaak sprak, was de reali.....
A
realiheid
B
realiteit
C
realitijt
D
realitijd

Slide 29 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

'Ach, hij komt in de puber.....,'suste de koningin.
A
pubertijt
B
pubertheid
C
puberteit
D
Pubertijd

Slide 30 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Je moet naar bed, het is:
bedt......

Slide 31 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Als je slim bent mag je naar de:
universi......

Slide 32 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Iemand die slim is, bezit veel:
muzikali.......

Slide 33 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

In de winter gaat de klok een uur terug. Dat heet de wintert......

Slide 34 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

zinsontleding
persoonsvorm, onderwerp en overige werkwoorden

Slide 35 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Persoonsvorm
Het belangrijkste werkwoord in de zin
 
Maak de zin vragend; de persoonsvorm komt vooraan.

Slide 36 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Vind de persoonsvorm!

Slide 37 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

persoonsvorm?
Ik ga naar de bibliotheek.
A
naar
B
ga
C
de
D
ik

Slide 38 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

persoonsvorm?
Wij willen naar het zwembad.
A
wij
B
naar
C
willen
D
zwembad

Slide 39 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

persoonsvorm?
Piet loopt op de stoep.
A
loopt
B
de
C
op
D
Piet

Slide 40 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is de persoonsvorm?
Hij sloopte al die apparaten.
A
hij
B
sloopte
C
al die apparaten
D
hij sloopte

Slide 41 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

persoonsvorm?
We maken stof van de wol van schapen.
A
schapen
B
we
C
maken
D
stof

Slide 42 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Onderwerp
Zoek eerst de persoonsvorm in de zin.
Zet Wie of Wat voor de persoonsvorm.
In een zin zit altijd maar één onderwerp.
Het onderwerp kan uit meerdere woorden bestaan.

Slide 43 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

onderwerp?
Juf Joke zwemt in de zee.
A
juf Joke
B
zwemt
C
in
D
de

Slide 44 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

onderwerp?
In de stad loopt Janneke.
A
in
B
de
C
Janneke
D
loopt

Slide 45 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Onderwerp?
Wij fietsen door de regen.
A
wij
B
fietsen
C
door
D
regen

Slide 46 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Onderwerp?
Tom, Ray en Bram fietsen door de regen.
A
de regen
B
fietsen
C
door
D
Tom, Ray en Bram

Slide 47 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

onderwerp?
Nog steeds gebruiken we dierenvellen voor onze kleding.
A
dieren
B
gebruiken
C
onze kleding
D
we

Slide 48 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Werkwoordelijk gezegde
Alle werkwoorden in de zin samen noem je het werkwoordelijk gezegde. 
Schrijf alle werkwoorden op. Dan heb je het werkwoordelijk gezegde.

Slide 49 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat is het werkwoordelijk gezegde?
A
kunnen
B
maken
C
kunnen maken
D
ze kunnen maken

Slide 50 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies


Heb jij je altijd goed gedragen?
Wat is het werkwoordelijk gezegde?
A
heb
B
heb gedragen
C
heb jij je gedragen
D
goed

Slide 51 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Dat hij zijn zoon niet vaak sprak, was de reali.....
A
realiheid
B
realiteit
C
realitijt
D
realitijd

Slide 52 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

'Ach, hij komt in de puber.....,'suste de koningin.
A
pubertijt
B
pubertheid
C
puberteit
D
Pubertijd

Slide 53 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Je moet naar bed, het is:
bedt......

Slide 54 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Als je slim bent mag je naar de:
universi......

Slide 55 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Iemand die slim is, bezit veel:
muzikali.......

Slide 56 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

In de winter gaat de klok een uur terug. Dat heet de wintert......

Slide 57 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

zinsontleding
persoonsvorm, onderwerp en overige werkwoorden

Slide 58 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Persoonsvorm
Het belangrijkste werkwoord in de zin
 
Maak de zin vragend; de persoonsvorm komt vooraan.

Slide 59 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Vind de persoonsvorm!

Slide 60 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

persoonsvorm?
Ik ga naar de bibliotheek.
A
naar
B
ga
C
de
D
ik

Slide 61 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

persoonsvorm?
Wij willen naar het zwembad.
A
wij
B
naar
C
willen
D
zwembad

Slide 62 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

persoonsvorm?
Piet loopt op de stoep.
A
loopt
B
de
C
op
D
Piet

Slide 63 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is de persoonsvorm?
Hij sloopte al die apparaten.
A
hij
B
sloopte
C
al die apparaten
D
hij sloopte

Slide 64 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

persoonsvorm?
We maken stof van de wol van schapen.
A
schapen
B
we
C
maken
D
stof

Slide 65 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Onderwerp
Zoek eerst de persoonsvorm in de zin.
Zet Wie of Wat voor de persoonsvorm.
In een zin zit altijd maar één onderwerp.
Het onderwerp kan uit meerdere woorden bestaan.

Slide 66 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

onderwerp?
Juf Joke zwemt in de zee.
A
juf Joke
B
zwemt
C
in
D
de

Slide 67 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

onderwerp?
In de stad loopt Janneke.
A
in
B
de
C
Janneke
D
loopt

Slide 68 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Onderwerp?
Wij fietsen door de regen.
A
wij
B
fietsen
C
door
D
regen

Slide 69 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Onderwerp?
Tom, Ray en Bram fietsen door de regen.
A
de regen
B
fietsen
C
door
D
Tom, Ray en Bram

Slide 70 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

onderwerp?
Nog steeds gebruiken we dierenvellen voor onze kleding.
A
dieren
B
gebruiken
C
onze kleding
D
we

Slide 71 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Werkwoordelijk gezegde
Alle werkwoorden in de zin samen noem je het werkwoordelijk gezegde. 
Schrijf alle werkwoorden op. Dan heb je het werkwoordelijk gezegde.

Slide 72 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat is het werkwoordelijk gezegde?
A
kunnen
B
maken
C
kunnen maken
D
ze kunnen maken

Slide 73 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies


Heb jij je altijd goed gedragen?
Wat is het werkwoordelijk gezegde?
A
heb
B
heb gedragen
C
heb jij je gedragen
D
goed

Slide 74 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

De lesdoelen vandaag:
Aan het einde van deze les:

1. Kan ik vertellen wat hunebedden zijn 
2. Ken ik de regel voor woorden op -teit en -tijd
3. Kan ik een zin ontleden in persoonsvorm en onderwerp en werkwoordelijk gezegde

Slide 75 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Hebben we een jarige vandaag...?
Yoni & Fleur 

Slide 76 - Tekstslide

Prowise taart, zingen + receptie