klas 3 6 ed Ch ww op -re in présent en passé composé

Salut!
1 / 30
volgende
Slide 1: Tekstslide
FransMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 3

In deze les zitten 30 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

Salut!

Slide 1 - Tekstslide

Regel: stam (= werkwoord - re) + uitgang (-s, -s, -, -ons, -ez, -ent)
présent
j' attends
tu attends
il/ elle/ on attend
nous attendons
vous attendez
ils attendent

Slide 2 - Tekstslide

les verbes en -re 
attendre: 


présent
j' attends
tu attends
il attend
nous attendons
vous attendez
ils attendent

Slide 3 - Tekstslide

Les verbes au Passé Composé




-re: stam + u = attendu
ik heb gewacht= j'ai attendu

Slide 4 - Tekstslide

Oefenen in lessonup met le verbes en -re
De eerste 8 werkwoorden zijn in de tegenwoordige tijd,
daarna volgen werkwoorden in de 'passé composé'

Slide 5 - Tekstslide

elle (répondre)

Slide 6 - Open vraag

ils (attendre)

Slide 7 - Open vraag

je (perdre)

Slide 8 - Open vraag

vous (vendre)

Slide 9 - Open vraag

tu (entendre)

Slide 10 - Open vraag

on (attendre)

Slide 11 - Open vraag

nous (entendre)

Slide 12 - Open vraag

Bij de volgende vervoegingen gebruik je de 'passé composé'

Slide 13 - Tekstslide

elle (heeft geantwoord)(répondre)

Slide 14 - Open vraag

j'( heb verloren) (perdre)

Slide 15 - Open vraag

nous (hebben gehoord) (entendre)

Slide 16 - Open vraag

tu (hebt gewacht) (attendre)

Slide 17 - Open vraag

vous (hebben verkocht) (vendre)

Slide 18 - Open vraag

Jeu 

Slide 19 - Tekstslide

Je
Ils/elles
Vous
Nous
Il/elle/on
Tu
Verbes en        -er                         -re
Wat zijn de uitgangen in de présent?
-e
-ent
-ons
-s
-s
-ons
-es
-
-ez
-ent
-ez
-e

Slide 20 - Sleepvraag

Verbes en re (exercice 1)
attendons

attends
attendent
attend
attends
attendez
j'
tu
il/elle/on
nous
vous
ils/elles

Slide 21 - Sleepvraag

Verbes -re
Hij neemt
Ik geef terug
Zij ontspant
Jullie verdedigen
Wij verkopen
Il prend
Je rends
Elle se détend
Nous vendons
Vous défendez

Slide 22 - Sleepvraag

I
Wat zijn de juiste
uitgangen van de imparfait?
Grammaire verbes -er / -ir / -re
A
ai, as, a ons, ez, ont
B
ais, ais, ait, ions, iez, aient
C
e, es, e, ons, ez, ent
D
a, ez, ont, ais, et

Slide 23 - Quizvraag

De stam van de werkwoorden op -RE vind je door -RE eraf te halen in de présent tijd.
(vendre - vend).
A
juist
B
onjuist

Slide 24 - Quizvraag

Zij hebben het boek teruggebracht
(rendre, ww op -re)
A
Elles ont rend le livre
B
Elles ont rendu le livre
C
Elles ont rendi le livre
D
Elles ont rendé le livre

Slide 25 - Quizvraag

In de passé composé: wat is de uitgang van de ww op -re?
A
é
B
i
C
u
D
eigen vorm

Slide 26 - Quizvraag

wat gebeurt er bij werkwoorden met re in de passé composé?
A
re wordt i
B
re wordt é
C
er gebeurt niks
D
re wordt u

Slide 27 - Quizvraag

werkwoorden op -re in de présent
Tu.............(vendre)
A
vends
B
vende
C
vend
D
vendes

Slide 28 - Quizvraag

werkwoorden op -re in de présent
Ils .............(perdre)
A
perds
B
perdent
C
perd
D
perdez

Slide 29 - Quizvraag

Welk onderdeel vind je het moeilijkst?
A
vocabulaire
B
phrases-clés (zinnen)
C
l'adjectif / bijvoeglijk naamwoord
D
les verbes en -re (werkwoorden op -re)

Slide 30 - Quizvraag