Ondernemingsplan en oprichting (Bedrijfseconomie vwo), les 3: Terugblik quiz

Een foodtruck met klanten bij het afhaalluik, Austin (Texas)

EXAMENSTOF · STARTEN · PLAN EN OPRICHTING

Quiz

Terugblik: Ondernemingsplan en oprichting

1 / 14
volgende
Slide 1: Slide
newEditorBedrijfseconomieMiddelbare schoolvwoLeerjaar 4-6

In deze les zitten 14 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 30 min
Dit is niet oké

Introductie

Terugblik met een quiz van elf vragen over ondernemingsplan, samenhang van de plandelen en oprichting.

Onderdelen in deze les

Een foodtruck met klanten bij het afhaalluik, Austin (Texas)

EXAMENSTOF · STARTEN · PLAN EN OPRICHTING

Quiz

Terugblik: Ondernemingsplan en oprichting

Les 3 van 3. Leerlingen beantwoorden individueel; bespreek na elke paar vragen kort de antwoorden. Image credit: Kurtkaiser / Wikimedia Commons, CC0

Imran: 'Ik wil mijn passie voor koken omzetten in werk.' Wat is dit in zijn persoonlijk plan?

A

Een persoonlijke kwaliteit

B

Een persoonlijk gegeven

C

Een marketingdoelstelling

D

Een persoonlijk motief

Syllabus 12.2.1: waarom je wilt ondernemen is een motief. Verwachte fout: kwaliteit, omdat passie bij het vak lijkt te horen.

Vul in

Een marketingplan beschrijft de doelgroepen, de concurrentie en de marketingdoelstellingen, met een marketingmix die daarbij past.

doelgroepen
concurrentie
marketingdoelstellingen
investeringsbegroting
persoonlijke motieven

Syllabus 12.2.2. Verwachte fout: investeringsbegroting, die hoort bij het financieel plan.

Welke uitspraak over de SWOT-analyse klopt?

A

Kansen en sterkten kun je allebei direct zelf beïnvloeden

B

Sterkten en zwakten gaan over het bedrijf, kansen en bedreigingen over de omgeving

C

Bedreigingen gaan altijd over de concurrentie

D

De SWOT-analyse beoordeelt alleen de financiële positie

Syllabus 12.2.2: intern (sterkten en zwakten) versus extern (kansen en bedreigingen). Bedreigingen kunnen ook uit klantgedrag of regelgeving komen.

Fenna gaat haar bloemen ook aan huis bezorgen. Welk instrument van de marketingmix is dit?

A

Plaats

B

Product

C

Prijs

D

Promotie

Syllabus 12.2.2: de manier waarop het product bij de klant komt hoort bij plaats (plaatsbeleid). Verwachte fout: product, omdat bezorgen een dienst lijkt.

Waarom hangt de startdatum af van vergunningen?

Syllabus 12.2 en 12.3: zonder vereiste vergunning mag je niet open, en een aanvraag kost tijd. Een goed antwoord noemt dat het plan daarom rekening houdt met de doorlooptijd, en dat de kosten in de begroting komen. Verwachte fout: alleen noemen dat een vergunning verplicht is, zonder het gevolg voor het plan.

Een zaak investeert € 20.000. 40% daarvan is eigen inbreng, de rest leent de bank. Hoeveel vreemd vermogen?

A

€ 8.000

B

€ 20.000

C

€ 12.000

D

€ 28.000

Syllabus 12.2.3. Uitwerking: eigen inbreng 40% van 20.000 is 8.000. Vreemd vermogen 20.000 min 8.000 is 12.000, dus 60%. Verwachte fouten: de eigen inbreng noemen (8.000), de hele investering (20.000) of optellen (28.000).

Een klant koopt in december voor € 800 op rekening en betaalt in januari. Wat geldt in december?

A

Wel een ontvangst, geen opbrengst

B

Wel een opbrengst, nog geen ontvangst

C

Zowel een opbrengst als een ontvangst

D

Pas in januari een opbrengst, want dan wordt betaald

Syllabus 12.2.3 en 28.2 (periodetoerekening): de opbrengst hoort bij de periode van de levering, de ontvangst bij de betaling. Verwachte fout: opbrengst en ontvangst gelijkstellen.

Ravi wil met een koffiekar op een vaste plek op straat staan. Welke vergunning past?

A

Een vergunning van de Kamer van Koophandel

B

Een inschrijving in het Handelsregister

C

Geen enkele, een kar is geen pand

D

Een standplaatsvergunning van de gemeente

Syllabus 12.3: vergunningen hangen af van de activiteit. Voor een vaste verkoopplek op de openbare weg vraag je een standplaatsvergunning bij de gemeente. Verwachte fout: de KvK of het Handelsregister als vergunningverlener zien; de KvK registreert alleen.

Mei schrijft: 'Mijn omzet wordt hoog, want ik verwacht dat iedereen bij mij komt.' Wat is hiermee mis?

A

Een omzetverwachting hoort alleen in de liquiditeitsbegroting

B

Een verwachting hoort niet in een ondernemingsplan

C

De concurrentie hoeft pas na de start bekeken te worden

D

De doelgroep is niet afgebakend en de omzet niet onderbouwd

Syllabus 12.2.2 en 12.2.3: de omzet in het financieel plan moet steunen op een concrete doelgroep, prijs en concurrentieanalyse. 'Iedereen' is geen doelgroep.

Joris neemt elke maand € 1.000 privé op uit zijn eenmanszaak. Wat is dit?

A

Een kost in de exploitatiebegroting, net als loon

B

Geen kost van de zaak, wel een uitgave in de liquiditeitsbegroting

C

Een investering in de investeringsbegroting

D

Alleen interest die wordt betaald aan de ondernemer

Syllabus 12.2.3 en 28 (privéontvangsten en privéuitgaven): bij een eenmanszaak is de ondernemer geen werknemer; een privéopname is geen kost, maar er gaat wel geld uit de zaak. Verwachte fout: loon als kost.

Een bank vindt Nadia's prijs te laag voor haar kosten. Welke twee plandelen legt de bank naast elkaar?

A

Persoonlijk plan en investeringsbegroting

B

SWOT-analyse en financieringsbegroting

C

Marketingplan (prijs) en exploitatiebegroting (kosten)

D

Vergunningen en liquiditeitsbegroting

Syllabus 12.2: samenhang tussen plandelen. De prijs komt uit de marketingmix, de kosten staan in de exploitatiebegroting. Samen bepalen ze het verwachte resultaat.

Hoe zeker voel je je over dit onderwerp?

1

Heel zeker

2

Redelijk zeker

3

Niet zo zeker

4

Helemaal niet zeker

Gebruik de uitslag om te bepalen of je een onderdeel herhaalt.

EXAMENSTOF · STARTEN · PLAN EN OPRICHTING

Goed gedaan!

Goed gedaan. Je kunt nu de onderdelen van een ondernemingsplan opstellen, op samenhang beoordelen en de oprichtingsverplichtingen van een eenmanszaak noemen.

Deze slide heeft geen instructies