Begrotingen opstellen (Bedrijfseconomie havo), les 3: Terugblik quiz

Werkplaats van een fietsenmaker

EXAMENSTOF · FINANCIEEL · BEGROTINGEN

Quiz

Terugblik: Begrotingen opstellen

1 / 14
volgende
Slide 1: Tekstslide
newEditorBedrijfseconomieMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4,5

In deze les zitten 14 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 30 min
Dit is niet oké

Introductie

Terugblik met een quiz van elf vragen over begrotingen, eindbalans en de samenhang ertussen.

Onderdelen in deze les

Werkplaats van een fietsenmaker

EXAMENSTOF · FINANCIEEL · BEGROTINGEN

Quiz

Terugblik: Begrotingen opstellen

Les 3 van 3. Leerlingen beantwoorden individueel; bespreek na elke paar vragen kort de antwoorden. Image credit: Alextredz / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0

Ravi wil weten hoeveel resultaat hij over zijn eerste kwartaal verwacht. Welke begroting gebruikt hij?

A

De exploitatiebegroting

B

De liquiditeitsbegroting

C

De beginbalans

D

De investeringsbegroting

Syllabus 23.4. Het resultaat staat in de exploitatiebegroting. De investeringsbegroting toont wat je moet aanschaffen (zie Het ondernemingsplan). Verwachte fout: liquiditeitsbegroting, die over geld gaat.

Esra heeft € 3.000 liquide middelen, verwacht € 9.500 ontvangsten en € 14.200 uitgaven. Hoeveel moet ze minimaal bijlenen?

A

€ 4.700

B

€ 7.700

C

€ 1.700

D

€ 11.200

Syllabus 23.4. Uitwerking: 3.000 + 9.500 min 14.200 = min 1.700, dus ze moet € 1.700 bijlenen. Verwachte fouten: het beginsaldo vergeten (€ 4.700), het beginsaldo erbij optellen in plaats van aftrekken (€ 7.700) of de ontvangsten vergeten (€ 11.200).

Waarom is aflossing van een lening geen kost?

Syllabus 23.5. Een goed antwoord: je betaalt een schuld terug, het is geen verbruik in de periode; het geld gaat wel weg, dus het is een uitgave, en de lening op de balans daalt. Verwachte fout: zeggen dat het wel een kost is omdat het geld weggaat.

Een zaak verkoopt voor € 12.000, waarvan € 5.000 op rekening. Wat verandert er op de geprognosticeerde eindbalans door die € 5.000?

A

Liquide middelen stijgen met € 5.000

B

Crediteuren stijgen met € 5.000

C

Debiteuren stijgen met € 5.000, het geld niet

D

Het eigen vermogen blijft gelijk

Syllabus 23.5. De klanten moeten nog betalen, dus debiteuren stijgen; de opbrengst telt wel mee in het resultaat en dus in het eigen vermogen. Verwachte fout: liquide middelen, omdat er verkocht is.

Een lening van € 9.000 kost 6% interest per jaar. Hoeveel interest staat in de exploitatiebegroting van één kwartaal?

A

€ 135

B

€ 540

C

€ 45

D

€ 2.250

Syllabus 23.4: interest op schulden. Uitwerking: 6% van 9.000 = 540 per jaar; 540 / 4 = 135 per kwartaal. Verwachte fouten: de interest van een heel jaar nemen (€ 540), per maand rekenen (€ 45) of de lening door vier delen (€ 2.250).

Wie gebruikt de begrotingen uit de interne verslaggeving vooral?

A

De Belastingdienst voor de aangifte

B

Concurrenten die prijzen willen vergelijken

C

Klanten die het bedrijf willen controleren

D

De ondernemer en het management van het bedrijf

Syllabus 23.4. Interne verslaggeving is bedoeld voor sturing binnen de organisatie. Verwachte fout: de Belastingdienst.

Vul in

De interest op de lening is een kost in de exploitatiebegroting en een uitgave in de liquiditeitsbegroting.

interest
exploitatiebegroting
aflossing
afschrijving

Syllabus 23.5. Interest is zowel kost als uitgave. Verwachte fout: afschrijving (alleen kost) of aflossing (alleen uitgave).

Een lening van € 10.000 wordt voor € 2.500 afgelost. Hoe hoog is de lening op de geprognosticeerde eindbalans?

A

€ 12.500

B

€ 7.500

C

€ 2.500

D

€ 10.000

Syllabus 23.4. Uitwerking: 10.000 min 2.500 = 7.500. Verwachte fouten: de aflossing optellen (€ 12.500), alleen de aflossing noemen (€ 2.500) of de aflossing niet verwerken (€ 10.000).

Een inventaris van € 12.000 wordt € 3.000 per jaar afgeschreven. Hoe hoog is de inventaris na het eerste jaar op de eindbalans?

A

€ 9.000

B

€ 15.000

C

€ 3.000

D

€ 12.000

Syllabus 23.4: afschrijving op basis van aanschafwaarde. Uitwerking: 12.000 min 3.000 = 9.000. Verwachte fouten: de afschrijving optellen (€ 15.000), alleen de afschrijving noemen (€ 3.000) of de afschrijving vergeten (€ 12.000).

Welke begrotingen leveren, naast de beginbalans, de gegevens voor de geprognosticeerde eindbalans?

A

Alleen de exploitatiebegroting

B

Alleen de liquiditeitsbegroting

C

De exploitatiebegroting en de liquiditeitsbegroting

D

De liquiditeitsbegroting en het vorige jaarverslag

Syllabus 23.5. Het resultaat geeft het eigen vermogen, de liquiditeitsbegroting de liquide middelen. Verwachte fout: één van de twee noemen.

Een eindbalans heeft activa € 24.300, eigen vermogen € 13.800, lening € 6.000 en crediteuren € 4.100. Klopt de balans?

A

Nee, de passiva zijn € 400 hoger dan de activa

B

Nee, de passiva zijn € 400 lager dan de activa

C

Ja, de balans sluit

D

Nee, de passiva zijn € 4.000 lager dan de activa

Syllabus 23.4. Uitwerking: passiva = 13.800 + 6.000 + 4.100 = 23.900; activa 24.300; verschil € 400. Verwachte fout: de richting van het verschil omdraaien.

Hoe zeker voel je je over dit onderwerp?

1

Heel zeker

2

Redelijk zeker

3

Niet zo zeker

4

Helemaal niet zeker

Gebruik de uitslag om te bepalen of je een onderdeel herhaalt.

EXAMENSTOF · FINANCIEEL · BEGROTINGEN

Goed gedaan!

Je hebt een kwartaal van begin tot eind begroot: van beginbalans tot geprognosticeerde eindbalans. Controleer in een opgave altijd of de balans sluit en of het geld klopt met de liquiditeitsbegroting.

Deze slide heeft geen instructies