Lesson 6 Linking words / Conjunctions + dictionary use

Today's lesson
- Starter
   Poem
- Main course
   Linking words 
   Dictionary use
- Dessert
   Dictionary race
Nynke Cnossen
1 / 51
volgende
Slide 1: Tekstslide
EngelsMBOStudiejaar 2

In deze les zitten 51 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

Today's lesson
- Starter
   Poem
- Main course
   Linking words 
   Dictionary use
- Dessert
   Dictionary race
Nynke Cnossen

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Recite your favourite (English) poem to your neighbour.

Slide 3 - Tekstslide

Starter 3.6

Slide 4 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Linking words / conjunctions.

Slide 5 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Why use a conjunction?
  • om twee dingen aan elkaar te verbinden
  • kunnen woorden, zinsdelen of zinnen zijn
  • je geeft aan wat de relatie is tussen beide delen (opsomming, reden, tegenstelling,.....) 
Why use a 
linking word / conjunction?

Slide 6 - Tekstslide

Picture = spaghetti junction Birmingham.
Why use a conjunction?
              ... ... ...               
AND   BUT   BECAUSE   THEREFORE   WHILE

Slide 7 - Tekstslide

Make a sentence using one of the conjunctions.

The cat was sleeping, while the dog was barking.
Our goal today
Learn common English 
linking words /  
conjunctions (voegwoorden)
Learn why we use them.



Slide 8 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Write down examples
of an English conjunction (voegwoord).

Denk aan: 
opsomming - keuze - oorzaak - gevolg - tegenstelling - 
tijd - voorwaarde.

timer
5:00

Slide 9 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

English conjunction (voegwoord).

Denk aan: 
opsomming - keuze - oorzaak - gevolg - tegenstelling - 
tijd - voorwaarde.

In the next slides you will see 20 sample sentences with English conjunctions. How many of them are on your list?

Slide 10 - Tekstslide

There's an <enter> between level A2 and level B1 conjunctions.
Opsomming
He likes playing football and (en) tennis.

He likes playing both football and (zowel ... als) tennis.

Slide 11 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Keuze
Do you want peanut butter or (of) jelly on your sandwich?

 

Would you either like the peanut butter or (of ... of) the jelly? 

Slide 12 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Reden/oorzaak
I like to eat chocolate because (omdat) it tastes good.
As (omdat) you haven't eaten yet, let's have dinner now.
I'm going to eat a snack, for (want) I'm hungry.

I'll wear a raincoat, since (aangezien) it looks like it's going to rain.

Slide 13 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Gevolg
He kissed another girl so (dus) I broke up with him.

 
Provide detailed information so that (zodat) we can replicate the problem.

Slide 14 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Tegenstelling
I don't give money to people but (maar) I will for you.

He still failed though / although (hoewel / alhoewel) he studied hard.
 I'll take the medicine, though / even though (ondanks dat) I hate the taste.
 They have a lot of money, however (echter), they still live in a tiny house.

Slide 15 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Tijd
You are grounded until (tot, todat) you start behaving!
I'm eating that cake as soon as (zodra) they're out the door.

As / whilst (terwijl) I was leaving, the phone rang.
She was serious when (wanneer) she asked him to marry her.

Slide 16 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Voorwaarde
I will call my mum if (als) I need help with anything.

 


Sheryl will go out unless (tenzij) her mum stops her.

Slide 17 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

English conjunction (voegwoord).

You saw 20 sample sentences with English conjunctions
How many of the given conjunctions are on your list?

Slide 18 - Tekstslide

Remember: it's not only a good idea to know the meaning of these conjunctions for reading and listening.

It's also important to be able to use them for speaking and writing English.
Story without conjunctions.
We use first party cookies to personalise web content. We also use third-party cookies. Cookies can be annoying. They are useful to analyse visits to our websites. We use cookies to tailor advertisments. Some of these cookies are necessary for the website to function. Others require your consent. 

Slide 19 - Tekstslide

Why use conjunctions?

This is an example of a text without conjunctions. You need 7 sentences to give the information. 
Same story with conjunctions.
We use first party cookies to personalise web content. We also use third-party cookies. Cookies can be annoying. They are useful to analyse visits to our websites. We use cookies to tailor advertisments. Some of these cookies are necessary for the website to function. Others require your consent. 
We use both first and third-party cookies to personalise web content. Even though cookies can be annoying, they are useful to analyse visits to our websites and tailor advertisments. Some of these cookies are necessary for the website to function, whilst others require your consent. 

Slide 20 - Tekstslide

RED = 7 sentences.
GREEN = 3 sentences.

Students in the Economic department have to be able to write an email using sentences with conjunctions!

Slide 21 - Video

YouTube [3.00]
https://youtu.be/bvFx8a7NgYo

Zelfde informatie maar dan in een filmpje.

Slide 22 - Tekstslide

In short ... conjunctions are words that link other words, phrases, or clauses together.
Let's exercise!
Work in groups of 5-6 students. 
Each group will try to make the longest sentence using conjunctions.
No inappropriate language please!

Slide 23 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

How to use a paper dictionary

Slide 24 - Tekstslide

Van Dale pocketwoordenboek
Engels - Nederlands
(deze woordenboeken liggen in de kast van het examenlokaal)

Per student een woordenboek E-N nodig.
GOAL
You will learn how to use a paper dictionary.

You will learn how to find abbreviations (afkortingen).

Slide 25 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Let's practice
- to sort words alphabetically
 - to use your dictionary

Slide 26 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Where would you find this word
in your dictionary?
A
Between: SANDWICH - STOP
B
Between: SUCCESS - SYSTEMATIC

Slide 27 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Squeeze
3 ingangen

1 (zn) pressie
1.4 schaarste

2 (ww)
figuurlijk

3. (ww) knijpen

Slide 28 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Accent
The = het betreft een zelfstandig naamwoord
accent / accent = klemtoon
eksent / eksent = uitspraak

1 accent / 2 accent = zelfde schrijfwijze maar ander betekenis OF andere uitspraak

klemtoon, uitspraak = komma tussen kleine betekenisverschillen (bij grotere betekenisverschillen staat er een ; ertussen)

the ~ is on exotic flowers = voorbeeld met belangrijkste woord in blauw

[ook fig] = extra informatie [ook figuurlijk]
~ heet een 'tilde'

Slide 29 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Prefixes
Basiswoorden kunnen worden uitgebreid met een
prefix = voorvoegsel

De betekenis verandert dan!
Frequent / Infrequent
 Gratitude / Ingratitude

Slide 30 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Suffixes
Basiswoorden kunnen worden uitgebreid met een
suffix = achtervoegsel

De betekenis verandert dan!
Fear / Fearless
 To prevent / Preventable

Slide 31 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Arrange the following words in the correct order
Let's try to put words in the correct alphabetical order ...

Slide 32 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Drag the words to the numbers.
1
2
3
4
5
6
7
Application
Yield
Heritage
Art
Enjoy
Knowledge
Entertainment

Slide 33 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Slide 34 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Dictionary race
Use your dictionary 
to look up 
the 7 words.

Check the page number.

Slide 35 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

On which page can we find the word
KNOWLEDGE
A
364
B
227
C
365
D
327

Slide 36 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

On which page can we find the word
ENTERTAINMENT
A
184
B
200
C
180
D
201

Slide 37 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Dictionary race
On your exam you have 90 minutes to answer 
40 questions.
So for the following words I've set a timer!

Slide 38 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

On which page can we find the word
HERITAGE
A
123
B
226
C
279
D
125

Slide 39 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

On which page can we find the word
ART
A
30
B
33
C
32
D
39

Slide 40 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

On which page can we find the word
YIELD
A
566
B
625
C
702
D
569

Slide 41 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

On which page can we find the word
ENJOY
A
153
B
199
C
162
D
112

Slide 42 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

On which page can we find the word
APPLICATION
A
35
B
29
C
23
D
30

Slide 43 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

abbreviations = afkortingen

Slide 44 - Tekstslide

Where to find abbreviations in your dictionary?
Noteer de betekenis van de afkorting: e.g.

Slide 45 - Open vraag

e.g. vind je in het woordenboek alfabetisch bij de EG.
e.g.
[in het woordenboek bij eg]
e.g. = exempli gratia =
 for example = bijvoorbeeld.

"There are many places in the world I would like to visit,
e.g. India, China and Japan."

Slide 46 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Noteer de betekenis van de afkorting: i.e.

Slide 47 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

i.e.
[in het woordenboek bij ie]
i.e. = id est = in other words 
= met andere woorden.

"All employees will receive the standard discount;
 i.e., 20 percent."

Slide 48 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Noteer de betekenis van de afkorting: n/a.

Slide 49 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

n/a
[in het woordenboek bij N]
n/a = not applicable 
= niet van toepassing.

Often used in forms.


Ready for the exam?
yes
Do you own a dictionary?
n/a

Slide 50 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Werkwoorden: 
- zoek op het 'hele werkwoord'
- let op onregelmatige werkwoorden
- achterin vind je lijst met onregelmatige werkwoorden
Zelfstandige naamwoorden:
- zoek op het 'enkelvoud' (men > man / teeth > tooth)
Spreekwoorden, gezegden en uitdrukkingen
- zoek op het belangrijkste woord (zelfst. nw. of ww.)
Kijk goed of er meerdere betekenissen staan!
"Het woord staat niet in het woordenboek"
NED - ENG

Slide 51 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies