present simple

Grammar
1 / 35
volgende
Slide 1: Tekstslide
EnglishMBOStudiejaar 1,2

In deze les zitten 35 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 15 min

Onderdelen in deze les

Grammar

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Lesson aims
* Learning about the present simple and past simple.
* Quizzing to be.

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Present Simple:

Wanneer gebruik je de Present Simple?
A
Bij gewoonten, feiten en tijdschema's.
B
Wanneer iets nu bezig of aan de gang is.
C
Wanneer iets simpel is.

Slide 3 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Present simple is:
A
Verleden tijd
B
Tegenwoordig tijd
C
Toekomst

Slide 4 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Zoek op internet op wat de present simple is, denk aan: Wanneer gebruik je het? hoe vervoeg je het? wat zijn de uitzonderingen? wat zijn de signaalwoorden?

Slide 5 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Slide 6 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 7 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 8 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 9 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 10 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 11 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Present Simple:

Wanneer gebruik je de Present Simple?
A
Bij gewoonten, feiten en tijdschema's.
B
Wanneer iets nu bezig of aan de gang is.
C
Wanneer iets simpel is.

Slide 12 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Present simple is:
A
Verleden tijd
B
Tegenwoordig tijd
C
Toekomst

Slide 13 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Present simple:
A
I am walking to school.
B
They walked to school.
C
We have walked to school.
D
He walks to school.

Slide 14 - Quizvraag

Present simple:
Rule Example
 Je gebruikt de tegenwoordige tijd (present simple)
als je het over het volgende hebt:
• feiten Water boils at 100 degrees.
• gewoontes I usually get up at 6.30.
• toekomst als je een rooster/tijdschema/programma hebt ;The train leaves at 7.30.
• levendig beschrijving/dramatisch effect;
In 1099 William conquers England
Altijd hele werkwoord behalve SHIT: +S
I walk -> He walks

Present Simple:
Pick the example of the present simple.
A
I was walking in the park.
B
I walked in the park.
C
I am walking there.
D
I walk every day.

Slide 15 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Present Simple
A
Lucy lives in London.
B
Lucy lived in London.
C
Lucy is Living in London.
D
Lucy has lived in London.

Slide 16 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Present simple:
A
I am scanning the items.
B
They scanned the items.
C
We have scanned the items.
D
He scans the items.

Slide 17 - Quizvraag

Present simple:
Rule Example
 Je gebruikt de tegenwoordige tijd (present simple)
als je het over het volgende hebt:
• feiten Water boils at 100 degrees.
• gewoontes I usually get up at 6.30.
• toekomst als je een rooster/tijdschema/programma hebt ;The train leaves at 7.30.
• levendig beschrijving/dramatisch effect;
In 1099 William conquers England
Altijd hele werkwoord behalve SHIT: +S
I walk -> He walks

Present Simple:
Welke zin staat niet in de present simple?
A
Dogs wag their tail when they are excited.
B
Sarah usually runs to school.
C
Cats tend to scratch things.
D
Jeffrey has been cycling for hours.

Slide 18 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Present Simple
A
He travels to work four times a week.
B
He travelled to work four times a week.
C
He is travelling to work.
D
He has travelled to work.

Slide 19 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

timer
1:00
Make your own sentence with the present simple.

Slide 20 - Woordweb

Deze slide heeft geen instructies

Past simple
subject + ww (past) + rest van de zin.
Voor regelmatige ww voeg je +ed. (work, worked).

Onregelmatige ww
She went to the store.

Vraagzin:
Did + subject + werkwoord + rest van de zin + ?
Did you watch the movie?

Slide 21 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Past simple is:
A
Tegenwoordige tijd
B
Toekomst
C
Verleden tijd

Slide 22 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Which sentence is in the past simple?
A
I played football.
B
I had played football before.
C
I was going to football.
D
I am playing football.

Slide 23 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

timer
1:00
Write your own sentence in past simple.

Slide 24 - Woordweb

Deze slide heeft geen instructies

Quizz
To be

Als je werkt met het werkwoord "to be" in de past simple, zijn de vormen afhankelijk van het onderwerp.
Voor de past simple van to be gebruik je:

    was (voor "I", "he", "she", "it")
    were (voor "you", "we", "they")

In de present simple heeft het werkwoord "to be" drie vormen, afhankelijk van het onderwerp van de zin:

    am (gebruik je bij "I")
    is (gebruik je bij "he", "she", "it")
    are (gebruik je bij "you", "we", "they")

Slide 25 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

I ___ at the cinema last night.

Slide 26 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

I ___ a student.

Slide 27 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Maak vraag met to be:
(he / at work yesterday?)

Slide 28 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Maak vraag met to be:
(she / happy with her exam results?)

Slide 29 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

You ___ late for the meeting yesterday.

Slide 30 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

It ___ a beautiful day.

Slide 31 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Maak vraag met to be:
(they / in class this morning?)

Slide 32 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

(they / ready?)

Slide 33 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

timer
1:00
Make your own to be sentence

Slide 34 - Woordweb

Deze slide heeft geen instructies

Tips/tops

Slide 35 - Woordweb

Deze slide heeft geen instructies