Opstanden op de plantages, deel I Berbice , havo, vwo

Slavernij in bronnen beschreven
Opstanden op de plantages 
deel I: Berbice

Het n-woord wordt tot midden 20e eeuw volop gebruikt. Het is koloniaal en racistisch taalgebruik. Het wordt daarom als niet respectvol en kwetsend ervaren. 
In de oude archiefstukken in deze les kom je het dus nog wel tegen. 
In de notities staat extra uitleg en achtergrondinformatie. Leerlingen kunnen inloggen via de LessonUp-app.
1 / 22
volgende
Slide 1: Tekstslide
GeschiedenisMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 1-4

In deze les zitten 22 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Introductie

Dit is een verdiepingsles (I van II) over slavernij en behandelt de opstanden op de plantages.Met behulp van originele bronnen leren de leerlingen twee opstanden (Berbice 1763 en Curaçao 1795) kennen en hun leiders. Ze leren dat mensen in slavernij zich niet neerlegden bij hun situatie.

Instructies

Beide lessen duren ieder 45 minuten.
Het zijn verdiepende lessen over georganiseerde opstanden op plantages in Nederlandse kolonies. 
Les I behandelt de opstand in de Nederlandse kolonie Berbice (1763). In les II staat de opstand op Curaçao (1795) en de afschaffing van slavernij centraal. Deze les wordt afgesloten met reflecterende opdrachten. Beide lessen versterken elkaar. Indien gewenst kunt u ook één les geven.

In de notities staat achtergrondinformatie over de les. 
Lees van tevoren de docentenhandleiding. De leerlingen doen mee via de LessonUp-app. Geef ze inlogcode waarmee zij individueel op de vragen kunnen reageren.

Onderdelen in deze les

Slavernij in bronnen beschreven
Opstanden op de plantages 
deel I: Berbice

Het n-woord wordt tot midden 20e eeuw volop gebruikt. Het is koloniaal en racistisch taalgebruik. Het wordt daarom als niet respectvol en kwetsend ervaren. 
In de oude archiefstukken in deze les kom je het dus nog wel tegen. 
In de notities staat extra uitleg en achtergrondinformatie. Leerlingen kunnen inloggen via de LessonUp-app.

Slide 1 - Tekstslide

1. Doel van deze slide
Dit is een introductie op het onderwerp en biedt de mogelijkheid de voorkennis van de leerlingen te activeren.
2. Bespreek met de leerlingen
Deze les belicht aan de hand van originele archiefstukken opstanden van mensen in slavernij op Nederlandse plantages op Berbice (een voormalige kolonie van Nederland).
Wat weten jullie al van slavernij, van mensen in slavernij, wat weten jullie van plantages?
3. Opdracht
Laat de leerlingen kijken naar de prent.
Wat zien ze?
Wat valt ze op?
Welk perspectief had de maker?

4 Achtergrondinformatie
Deze gravure uit ca. 1770 zit in een van de boeken die John Gabriël Stedman schreef. Hij was een Schot-Nederlandse officier in het Nederlandse leger, die mee hielp aan het onderdrukken van een opstand in Suriname. In deze les worden meerdere gravures uit zijn boeken gebruikt. 
5 Taalgebruik
In deze les komt het n-woord vaak voor omdat gebruik gemaakt wordt van historische archiefstukken. Het woord werd gebruikt om naar zwarte mensen, Afrikanen te verwijzen.
Het n-woord is koloniaal en racistisch taalgebruik en wordt daarom tegenwoordig als kwetsend ervaren.
Meer informatie over taalgebruik:
Leerdoel

Na afloop weet je meer over slaafgemaakten,
dat ze zich niet bij hun situatie neerlegden en hoe de afschaffing van slavernij tot stand kwam
Leerdoel:
Na afloop weet je meer 
  • Over mensen die in slavernij leefden.
  • En dat ze in verzet kwamen tegen hun situatie.

Slide 2 - Tekstslide

Doel van deze slide
Deze slide is bedoeld om de leerdoelen van deze les duidelijk te maken aan de leerlingen.

Slide 3 - Kaart

1. Doel van deze slide
Met behulp van een originele kaart kennis maken met de kolonie Berbice en de omstandigheden in de kolonie.  De monding van de rivier Berbice is ook op de volgende historische kaart goed herkenbaar
2. Bespreek met de leerlingen
Berbice was in de 17e en 18e eeuw een kolonie van Nederland. Berbice lag in het huidige Guyana, ten westen van Suriname. Door uit te zoomen (-) wordt duidelijk waar in Zuid-Amerika de kolonie lag. Op Google Maps is de rivier Berbice goed te zien. Rechts van de Rio Berbice loopt de kleinere rivier Rio Canje. De plantages lagen langs deze rivieren. Dat hier een Nederlandse kolonie was is nu nog terug te zien in plaats- en straatnamen. Waar de Rio Berbice en de Rio Canje samenkomen ligt bijvoorbeeld de stad Nieuw-Amsterdam. 

Kaart van de kolonie Berbice in het huidige Guyana
De windroos toont het noorden op een kaart. De versierde pijl wijst naar rechtsboven, daar is het noorden.
'digt' bos, dat noemen we nu oerwoud. Daar is nauwelijks door heen te komen. Guyana ligt vlak boven de evenaar. Het is er warm en erg vochtig. Geen fijn klimaat om zware arbeid te verrichten.
Alle plantages liggen aan een rivier. Alle transport vindt via de rivieren plaats.
Veel plantages hebben een vrouwennaam of zijn genoemd naar een Hollandse plaats. Maar er zijn ook plantages die Fortuin, De Vryheyd, Land van belofte of Vreedenburg heten. Namen die zeker niet door slaafgemaakten zijn gegeven
De legenda geeft de afstand aan. De lengte van dit blokje betekent 2 uren gaans, 2 uren lopen.
Dit zijn bijna de enige paden op de kaart. Via deze paden kun je van de plantages aan de rivier Berbice naar de plantages aan de rivier Canje lopen.
De kerk bevindt zich op een centrale plek tussen de plantages

Slide 4 - Tekstslide

1. Doel van deze slide
Kennis maken met de kolonie Berbice met behulp van een originele kaart en zo meer informatie bieden over de kolonie en de omstandigheden.

2. Bespreek met de leerlingen
Bekijk met de leerlingen de informatie bij de ‘oogjes’.
U kunt (indien gewenst) inzoomen op deze kaart, zodat teksten beter gelezen kunnen worden. Per oogje wordt een aspect van de kaart of de kolonie Berbice besproken.
3. Achtergrondinformatie
Deze kaart is gemaakt in 1764, meteen na de opstand. Het grote tekstblok gaat onder andere over de militaire verdedigingswerken (zoals forten) die zijn gebouwd na de opstand.
Omdat de leerlingen in dit stadium nog niets weten over de opstand is dit voor hen niet relevant.

Het spreekwoord 'Naar de bar(re)biesjes gaan' (de dood tegemoet gaan), verwijst naar Berbice, naar het genadeloze klimaat en aanhoudende tropische ziektes. 
Berbice
1621


1627




23/2/1763



Nederland richt de West-Indische Compagnie (WIC) op voor trans- Atlantische driehoekshandel.
Nederland start in Berbice een handelskolonie. Slaafgemaakte West-Afrikanen bewerken de suiker-, koffie- en katoenplantages. De Nederlanders behandelen hen wreed.
In Berbice komen mensen in slavernij 
in verzet. Het is de eerste grote georganiseerde opstand tegen het Nederlandse slavernijsysteem
 
Deze mensen lijken rechtstreeks met een schip uit West-Afrika te komen. Een reis van minstens 2 maanden, opgesloten in het ruim van een schip. 
Zie je dat aan ze?
Slaafgemaakten mogen geen bovenkleding dragen.
Wat concludeer je uit deze tekst? 
Slaafgemaakten mogen geen schoenen dragen

Slide 5 - Tekstslide

1. Doel van deze slide
Relatie leggen tussen slaafgemaakten op de plantages in Berbice en de handel in mensen door de WIC.
2. Activeer de voorkennis 
over de WIC en de trans-Atlantische slavenhandel bij de leerlingen. 
Bekijk de afbeelding, wat valt ze op? Daarna kunt u de ‘oogjes’ samen bekijken.
De mensen op de afbeelding zien er niet uit alsof ze een lange zware reis achter de rug hebben. Integendeel. 
Opvallend in de tekst onder de afbeelding: ‘Group of Negros as imported to be sold as Slaves’. In de Nederlandse versie staat iets vergelijkbaars: Dus door verkoop worden ze van 'negers' 'tot slaaf'.
Deze afbeelding komt uit het boek van John Gabriël Stedman.
3. Achtergrondinformatie
Met de handel in mensen werden de Nederlandse kolonies voorzien van menskracht op de plantages. De slaafgemaakten deden het fysiek zware werk. De producten van de plantages, werden in Nederland met winst verkocht. De vraag naar producten van de plantages groeide, dus kwamen er steeds meer plantages. De vraag naar slaafgemaakten groeide daardoor ook.
De plantages waren eigendom van plantage-eigenaren die meestal in Nederland woonden, ze werden beheerd door Europese plantagehouders. De Nederlandse plantagehouders staan internationaal bekend om de slechte behandeling van de slaafgemaakten.
Dit is de brief van opstandelingen aan de gouverneur Van Hoogenheim

Probeer de stukjes bij de cijfers te lezen tot de punt. Wat lees je?
Het is oud-Nederlands, dus soms anders geschreven.
Hardop lezen helpt. 
1
2
3
hertaling: 
Kopie van de brief van de Afrikanen Kofi en Accara, 
ontvangen op 8 maart
De gouverneur heeft de brief (en alle volgende brieven) overgeschreven in zijn dagrapport dat hij bijhield. 

Slide 6 - Tekstslide

1. Doel van deze slide
Leerlingen komen aan de hand van de brief er achter wie de leiders van de opstand zijn, wat ze van plan zijn en waarom de slaafgemaakten in opstand zijn gekomen. 
2. Bespreek met de leerlingen
Dit was de eerste grote georganiseerde opstand. Bijzonder is ook dat de onderhandelingen schriftelijk zijn verlopen en de correspondentie bewaard is. Vertel de leerlingen dat de leiders van de opstand (Kofi en Accara) deze brief aan de gouverneur van Berbice hebben geschreven.
3. Opdracht
Laat de leerlingen naar de brief kijken. wat zien ze al zonder de brief goed te lezen?
Verdeel de klas in groepjes en geef iedere groep de opdracht de tekst bij een van de cijfers te lezen. Iedere leerling een cijfer toewijzen kan natuurlijk ook.
Op de volgende slide vullen ze in wat ze gelezen hebben. De bedoeling is dat ze de kern van wat ze gelezen hebben vertellen. Laat ze voor hun tekst cijfer 1, 2, of 3 vermelden.
Leestips:
Hardop lezen helpt vaak: koomen = komen, vegten = vechten, heeren = heren, ae kennen wij als aa 
De letter S is moeilijk (bv bij '2' Soo = zo)
De spelling is niet consequent.
Om verwarring te voorkomen kiezen wij voor de moderne Ghanese spelling van de naam Kofi (uitgesproken als in Kofi Annan)In de archiefstukken staat Coffij / koffij  / koffie .
3. Achtergrondinformatie: 
De originele brief van Kofi en Accara is verloren gegaan. De gouverneur heeft destijds alle brieven in zijn dagrapport overgeschreven voor zijn meerderen.
Kofi en Accara konden waarschijnlijk niet lezen of schrijven. Kofi dicteerde zijn brieven. Dit is dus niet het handschrift van Kofi. 

Wat is de kern van wat je hebt gelezen?

Slide 7 - Open vraag

1. Doel van deze slide
De leerlingen vullen in de app hun antwoord in. Wat is de kern van wat je hebt gelezen?
2. Opdracht
Vraag de leerlingen het nummer van het tekstje toe te voegen dan kunnen de nummers straks makkelijk geordend worden op het bord.
Brief van de opstandelingen aan gouverneur
Van Hoogenheim.
 
Copie missive betekent kopie brief.
Kofi (Coffij) en Accara (Akkarra) zijn de briefschrijvers. Zij leiden de opstand in Berbice.
ontvangen den 8ste Maart (de opstand start op 23 februari).
Waarschuwing aan de heer gouverneur van kapitein Kofy en Acarra.
'Waarschouwing aan de Heer Gouverneur van de Captijn koffie van de heer Barkeij en accara ook van Barkeij.' 
Ze zijn niet van plan om op te geven en zullen met velen komen om te vechten als het nodig is. 
'Soo zal de Captijn met een groot getal volk komen om te vegten'.
De tot slaaf gemaakten hebben niet gekregen waar ze recht op hebben.
'De reede van diese oorlog is, als dat daar veel heeren zijn geweest die de slaven niet heeft gegeven dat haar toe kwam.'
Het n-woord wordt tot midden 20e eeuw volop gebruikt. Het is koloniaal en racistisch taalgebruik. Het wordt daarom als niet respectvol en kwetsend ervaren. 

Slide 8 - Tekstslide

1. Doel van deze slide
De brief nog eens samen bekijken om zo de inhoud duidelijk te krijgen.
2. Bespreek met de leerlingen
Bekijk met de leerlingen de 'oogjes' in de slide. U kunt zich ook beperken tot het deel van de opdracht .
3. Achtergrondinformatie
De originele brief van Kofi en Accara is verloren gegaan. De gouverneur heeft destijds alle brieven in zijn dagrapport overgeschreven voor zijn meerderen. Zo zijn ze bewaard gebleven.
Kofi en Accara konden waarschijnlijk niet lezen of schrijven. Kofi dicteerde zijn brieven. Dit is dus niet het handschrift van Kofi. 

Waarom noemt Kofi zich "Captijn"?
A
Hij is de leider van de opstand, de gouverneur is de leider van de Europeanen. Hij is gelijkwaardig.
B
Hij heeft een opleiding gehad in het leger. Hij wil laten zien dat hij kan vechten.

Slide 9 - Quizvraag

1. Doel van deze slide
De leerlingen laten nadenken over machtsverhoudingen.
Bij de blauwe pijl staat een tekst waarin Kofi zich Captijn noemt. 
2. Bespreek met de leerlingen
Het is in een dergelijke machtsverhouding erg lastig om onderhandelingen te voeren vanuit een gelijke positie.  Daarom kiezen Kofi en Accara voor titels die de Europeanen ook voeren. In latere brieven noemt Kofi zich ook gouverneur.
In de eerste zin van de brief staat ‘Waarschouwing aan de heer gouverneur van de Captijn Koffie’ en later staat er nog eens ‘Soo sal de Capteijn met een groot getal volk komen’.
Kofi benadrukt de reden van de opstand:
'De plantagehouders hebben het volk al te erg geslagen en mishandeld en op de zweep "getrakteerd". Zo erg dat we het niet langer kunnen verdragen.' 

Slide 10 - Tekstslide

1.  Doel van deze slide
De slechte behandeling is een van de redenen die Kofi benoemt om in opstand te komen.
Vrijheid is natuurlijk de bovenliggende reden .
2. Bespreek met de leerlingen
Deze tekst (hertaald) komt uit een van de brieven van Kofi. 
Laat ze ook naar de afbeelding kijken en de tekst lezen.
Deze gravure komt uit het boek van John Gabriël Stedman en is rond 1770 in Suriname gemaakt. Stedman was een Schot-Nederlandse officier in het Nederlandse leger en hielp mee aan het onderdrukken van een opstand in Suriname.
3. Achtergrondinformatie:
Dit is de letterlijke tekst uit de brief: ‘daen de Hr. Planters en Directeuren sijn de oorsaak weegens het oorlog, wijlen Sie het volk Seere mishandelt hebben, en og over de natuur met schleegen shwippen getracteerd, soo hebben wij er niet lenger kunnen uitstaan’

De opstand is een [ ... ] van de slechte behandeling van slaafgemaakten.
Welk woord is weggelaten?
A
Oorzaak
B
Gevolg

Slide 11 - Quizvraag

1.  Doel van deze slide
Bespreken van oorzaak en gevolg

2. Bespreek met de leerlingen
De mensen in slavernij werden slecht behandeld.  Daarom komen ze in opstand. De opstand volgt dus na de slechte behandeling. 
De slechte behandeling is de oorzaak van de opstand.

Gouverneur Van Hoogenheim vraagt hulp

In Berbice staan ongeveer 4000 slaafgemaakten tegenover zo’n 350 Europeanen.
De gouverneur vraagt dringend hulp aan Nederland.



Hertaling:
'De opstandelingen hebben zich al moordend en brandstichtend als een lopend vuur verspreid over de plantages.'

Slide 12 - Tekstslide

1. Doel van deze slide
Leerlingen begrijpen de machtsverhoudingen aan het begin van de opstand. 
2. Bespreek met de leerlingen
De verhoudingen tussen de aantallen Europeanen en de mensen in slavernij. Er zijn ruim 10 keer zoveel mensen in slavernij als Europeanen. De gouverneur schrijft een noodkreet. Er zijn al een aantal Europeanen vermoord.

Bij het oogje staat een hertaling (modern Nederlands). Er staat letterlijk (transcriptie) :
‘de revolteerende Negros hun hebben verspreijd als een loopend vuur, overal de plantagies aflopende met moorden, doodslaan en brandstigten, zoo dat binnen 24 uure 18 plantagies van de kerk af tot aan de plantagie La solitude toe zijn geabandonneert en afgeloopen.
Dus binnen 24 uur zijn 18 plantages tussen de kerk en plantage Solitude verlaten. De plantage Solitude bevindt zich rechts onder de kerk op de kaart (slide 4). 
Kofi weet dat de gouverneur waarschijnlijk versterking kan krijgen van militairen.
Wat zou jij doen als je Kofi was?

Slide 13 - Open vraag

1. Doel van deze slide
Leerlingen laten nadenken over de situatie en zich inleven in de situatie van Kofi.  Dit is een open vraag. 
2. Opdracht:
Wat zou jij doen? 
Dit is een open vraag. 
Bespreek met de leerlingen de keuzes, waarom maken ze die keuze? 
Hoe kijken ze aan tegen de onderlinge verhoudingen. Wie staat sterk en wat zou er kunnen veranderen?

aanvullende vraag VWO leerlingen: 
Wat zijn de gevolgen van je keuze?
Coffy start per brief de onderhandelingen met de gouverneur. Een overeenkomst biedt meer zekerheid.

 

De briefwisseling tussen Coffy en Van Hoogenheim duurt maanden, Tussendoor wordt er regelmatig gevochten. Van Hoogenheim weigert Coffy te ontmoeten en doet geen enkele toezegging.

Strategie van Kofi
Kofi weet dat de gouverneur versterking kan krijgen. Daarom start hij de onderhandelingen met hem. Een overeenkomst biedt meer zekerheid.



Slide 14 - Tekstslide

1.  Doel van de slide
Vertellen welke keuze Kofi heeft gemaakt en waarom.

2. Bespreek met de leerlingen
Indien gewenst kunt u de strategie van Kofi met de leerlingen bespreken.
 
Wij blijven vrij!
Kofi wil onderhandelen over de verdeling van Berbice.
Over één voorwaarde is geen discussie mogelijk: hij en zijn medestanders blijven vrij! 

‘als de gouverneur wil de grond hebbe van berbice die je sal krijgen ... maar dan moet je ook sien, dat je nieuwe slaven krijgt, maar wij ben vrij.’

Slide 15 - Tekstslide

1. Doel van de slide
De belangrijkste eis van de opstandelingen: vrij zijn
2. Bespreek met de leerlingen
Kofi wil met Van Hoogenheim onderhandelen over een verdeling van Berbice, ze willen een stuk grond zodat ze daar hun eigen leven kunnen leiden en voedsel kunnen verbouwen. Over de hoeveelheid grond kan onderhandeld worden. Over één voorwaarde is geen discussie mogelijk: hij en zijn medestanders blijven vrij.
Vraag aan vwo leerlingen:
Kofi schrijft ‘maar dan moet je ook sien, dat je nieuwe slaven krijgen, maar wij ben vrij.’ 
Beargumenteer waarom Kofi alleen kiest voor de vrijheid van de opstandelingen en niet strijdt voor afschaffing van slavernij? 

Deze gravure komt uit het boek van John Gabriël Stedman en is rond 1770 in Suriname gemaakt. Stedman was een Schot-Nederlandse officier in het Nederlandse leger en hielp mee aan het onderdrukken van een opstand in Suriname.

Strategie van de gouverneur 
De gouverneur heeft één doel: tijdrekken, zodat hij versterking kan krijgen.
De briefwisseling tussen beiden duurt maanden. Hij weigert Kofi te ontmoeten en zegt niets toe. 

In december 1763 komen 600 Nederlandse soldaten aan. Zomer 1764 is de kolonie weer heroverd.


Slide 16 - Tekstslide

1. Doel van de slide
De leerlingen begrijpen de strategie van de gouverneur.
2. Bespreek met de leerlingen
De briefwisseling tussen Kofi en Van Hoogenheim duurt maanden. De gouverneur probeert al die tijd de opstandelingen aan het lijntje te houden, hij belooft niets, hij weigert hem te ontmoeten. Tussendoor wordt er regelmatig gevochten. Van Hoogenheims enige doel is om de onderhandelingen te rekken totdat er hulp van buitenaf komt. Hij schrijft in zijn dagregister:
‘de negotiatie met de rebellen te onderhouden, dog alleen om tijd te winnen’.
3. mogelijke opdracht
Zowel deze afbeelding als de afbeelding op de vorige slide bevestigen de manier van denken over de zwarte en witte mannen. Wat zien de leerlingen?
De zwarte man is geagiteerd, heeft wapens bij zich, bijna geen kleren aan en er ligt een schedel op de grond. De witte man is een gesoigneerde heer die rustig en beschaafd met een hond aan zijn voeten zit te schrijven. 
Deze afbeelding komt uit Rijksstudio (RP-P-OB-65.5721)
De gevolgen van de opstand
  • De opstandelingen houden tien maanden stand. Plantages zijn verwoest, huizen verbrand, 40 Europeanen komen om. 
  • Bij de onderdrukking van de opstand worden 1800 slaafgemaakten vermoord.
  • Kofi wordt afgezet als leider van de opstand en komt door zelfdoding om het leven.
  • De opstand van Berbice is een schrikbeeld voor plantage-eigenaren elders.

Slide 17 - Tekstslide

1. Doel van de slide
De gevolgen van de opstand in beeld brengen.
2. Bespreek met de leerlingen
De opstand duurt maar liefst 10 maanden. Voor een aantal opstandelingen is dat te lang. Kofi wordt afgezet. Hij komt door zelfdoding om het leven.
De opstand wordt met veel geweld neergeslagen. De leiders van de opstand worden doodgemarteld, opgehangen, geradbraakt of verbrand op de brandstapel.

De opstandelingen lijden de grootste verliezen. Maar liefst 45% van de mensen in slavernij worden gedood (1800 van de 4000).
4% Van de Europeanen worden gedood (40 van de 360 + 600 man versterking).
De plantages zijn lange tijd niet bruikbaar.
3. Achtergrondinformatie zelfdoding:
In delen van West-Afrika, waar Kofi vandaan kwam, was het gebruikelijk dat leiders die hun steun verloren zichzelf doodden. Daardoor voorkwamen ze publieke schade, verdienden ze respect en werd verder geweld voorkomen. 
Wat kun je zeggen over de bronnen over Berbice die je hebt bekeken?
A
Dit zijn directe bronnen
B
Dit zijn indirecte bronnen

Slide 18 - Quizvraag

1. Doel van de slide
Het verschil tussen directe en indirecte bronnen bespreken.
2. Bespreek met de leerlingen
De bronnen zijn allemaal in die tijd gemaakt door direct betrokkenen. De aantekeningen komen allemaal uit het dagrapport van gouverneur van Hoogenheim. Hij heeft de brieven van de opstandelingen overgeschreven met als doel de correspondentie aan zijn meerderen te melden. 
De kaart van Berbice is meteen na de opstand gemaakt. 
De tekeningen uit het boek van John Gabriël Stedman zijn rond 1770 in Suriname gemaakt.
Vind jij de gebruikte bronnen betrouwbaar en waarom?

Slide 19 - Open vraag

1. Doel van deze slide
Leerlingen laten nadenken over de situatie en zich inleven in de situatie van Kofi.  Dit is een open vraag. 
2. Opdracht:
Wat zou jij doen? 
Dit is een open vraag. 
Bespreek met de leerlingen de keuzes, waarom maken ze die keuze? 
Hoe kijken ze aan tegen de onderlinge verhoudingen. Wie staat sterk en wat zou er kunnen veranderen?

aanvullende vraag VWO leerlingen: 
Wat zijn de gevolgen van je keuze?
Noem minstens drie dingen die je geleerd hebt van deze les

Slide 21 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Heb je nog vragen?

Slide 22 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies