3HAVO mod. hulpww in vt+betekenis 2

1 / 51
volgende
Slide 1: Tekstslide
DuitsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 3

In deze les zitten 51 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Tekstslide

In deze LessonUp wordt Grammatik E herhaald.
 
Wat we bekijken:
 
* betekenis
* vervoegen in de verleden tijd
* oefenen

Slide 2 - Tekstslide

Wat zijn Modalverben?


Modalverben = modale werkwoorden


Gebruik je een modaal werkwoord in een zin, dan komt er meestal nog een heel werkwoord (infinitief) bij. 


Slide 3 - Tekstslide

Voorbeelden

Modaal werkwoord = geel, heel werkwoord erbij = rood


  • Wij kunnen een ijsje kopen.
  • Jullie mogen in de zee zwemmen.
  • Zij zouden graag de menukaart willen zien.
  • Wij lusten pizza. 

Slide 4 - Tekstslide


Bij Grammatik E van hoofdstuk 3 heb je al kennis gemaakt met modale werkwoorden de verledentijdsvormen (Präteritum/Partizip) ... 

Slide 5 - Tekstslide

Ronde 1
Het gaat nu om de volgende werkwoorden:

  • können
  • dürfen
  • mögen

Maar wat betekenen deze werkwoorden ook alweer? 

Slide 6 - Tekstslide

Ich konnte die Hausaufgaben machen.

Slide 7 - Tekstslide

Was bedeutet (betekent) das Verb
können?
A
toestemming hebben
B
kunnen
C
zou graag willen
D
lusten

Slide 8 - Quizvraag

Vertaal de zin:
"Ich konnte die Hausaufgaben machen."

Slide 9 - Open vraag

Lisa mochte als Kind Äpfel sehr gerne.

Slide 10 - Tekstslide

Was bedeutet (betekent) das Verb
mögen?
A
toestemming hebben
B
kunnen
C
zou graag willen
D
lusten

Slide 11 - Quizvraag

Vertaal de zin:
"Lisa mochte als Kind Äpfel sehr gerne."

Slide 12 - Open vraag

Der Hund durfte hier reingehen.

Slide 13 - Tekstslide

Was bedeutet (betekent) das Verb
dürfen?
A
toestemming hebben
B
kunnen
C
zou graag willen
D
lusten

Slide 14 - Quizvraag

Vertaal de zin:
"Der Hund durfte hier reingehen."

Slide 15 - Open vraag

samenvatting:
können = kunnen
mögen = lusten, houden van
dürfen = mogen, toetstemming hebben

Slide 16 - Tekstslide

Bestudeer bovenstaande vervoegingen.

Slide 17 - Tekstslide

Wat valt je op? (2x)
Hint: Kijk naar de enkelvoudsvormen!

Slide 18 - Open vraag

Ronde 2
Het gaat nu om de werkwoorden: 
  • wollen
  • wissen
  • müssen
  • sollen

Herleid de betekenis aan de hand van de zinnen op de volgende slides -->

Slide 19 - Tekstslide

Paul wollte zu Lisa gehen.

Slide 20 - Tekstslide

Was bedeutet (betekent) das Verb
wollen?
A
moeten
B
weten
C
kunnen
D
willen

Slide 21 - Quizvraag

Vertaal de zin:
"Paul wollte zu Lisa gehen."

Slide 22 - Open vraag

Die Schüler wussten die Antwort.

Slide 23 - Tekstslide

Was bedeutet (betekent) das Verb
wissen?
A
moeten
B
mogen
C
weten
D
zou graag willen

Slide 24 - Quizvraag

Vertaal de zin:
"Die Schüler wussten die Antwort."

Slide 25 - Open vraag

Pia musste dringend zur Toilette.

Slide 26 - Tekstslide

Was bedeutet (betekent) das Verb
müssen?
A
moeten
B
weten
C
kunnen
D
willen

Slide 27 - Quizvraag

Vertaal de zin:
"Pia musste dringend zur Toilette."

Slide 28 - Open vraag

"Du solltest deine Zähne putzen!"

Slide 29 - Tekstslide

Was bedeutet (betekent) das Verb
sollen?
A
weten
B
moeten
C
kunnen
D
willen

Slide 30 - Quizvraag

Vertaal de zin:
"Du solltest deine Zähen putzen!"

Slide 31 - Open vraag

Als het goed is, heb je 'müssen' en 'sollen' beide als 'moeten' vertaald. Maar wat is het verschil? 

Kijk naar de twee plaatjes... 

Slide 32 - Tekstslide

Slide 33 - Tekstslide

Wat denk jij: Wat is het verschil in betekenis tussen 'müssen' en 'sollen'?

Slide 34 - Open vraag

samenvatting:
wollen = willen
müssen = moeten (noodzaak, wet)
sollen = moeten (iemand anders wil dit, verwachting)

Slide 35 - Tekstslide

Bestudeer de vervoegingen.

Slide 36 - Tekstslide

Opvallend is: 
1. De stamklinker verandert alleen bij het werkwoord wissen. Bij sollen en wollen blijft hij hetzelfde, bij müssen verdwijnt de Umlaut.
2. De ich- en er/sie/es/man-vorm zijn wél altijd hetzelfde 

Slide 37 - Tekstslide

Oefenen... 
Op de volgende slide zie je zinnen en werkwoordsvormen. 
Sleep de juiste werkwoordsvorm naar de juiste zin! 

Slide 38 - Tekstslide

1. Kinder ____ oft (vaak) keine Gemüse
2. Der Mann ___ ein Buch kaufen.
3. Ich ___ die Antwort nicht.
4. Wir ___ das Hotel nicht finden.
5. "Du ___ dein Zimmer aufräumen!"
6. Man ___ hier nicht rauchen. 
7. Alle Menschen ___ zu Hause bleiben. 
wusste
solltest
mochten
durfte
wollte
konnten
mussten

Slide 39 - Sleepvraag

Vertaal in de volgende slides de werkwoorden van het Nederlands naar het Duits. 

Slide 40 - Tekstslide

Wir (konden) die Wahl nicht verstehen.

Slide 41 - Open vraag

(Mocht) du auf die Part gehen?

Slide 42 - Open vraag

Als Kind (lustte) Paul kein Fleisch.

Slide 43 - Open vraag

"Er (moest) dringend zur Polizei."

Slide 44 - Open vraag

"Ihr (moesten) euer Zimmer aufräumen!"

Slide 45 - Open vraag

(Wist) Sie nicht wie die Bundeskanzlerin von Deutschland heißt?

Slide 46 - Open vraag

Sie (wilden) eine Demonstration organisieren.

Slide 47 - Open vraag

Ik moest in München in het Duits praten.

Slide 48 - Open vraag

Samengevat:
Je weet nu ... de betekenis:
 
  • wollen = willen
  • wissen = weten
  • müssen = moeten
  • sollen = moeten 

Slide 49 - Tekstslide

Samengevat:
Je weet nu ... het betekenisverschil tussen müssen en sollen:
 
  • müssen = moeten (noodzaak/wet)
  • sollen = moeten (wil van iemand anders, verwachting)

Slide 50 - Tekstslide

Samengevat:
Je kent nu ... de vervoeging van deze werkwoorden:
 

Slide 51 - Tekstslide