§7.3 voedsel verteren

Van hap tot bloed

1 / 32
volgende
Slide 1: Slide
newEditorBiologieVoortgezet speciaal onderwijsLeerroute 3Leerroute 4

In deze les zitten 32 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Van hap tot bloed

Open bij de herkenbare vraag: waar gaat eten eigenlijk langs in je lichaam, en hoe wordt het klein genoeg om in je bloed te komen?

Leerdoel

Ik kan beschrijven hoe voedsel door het verteringsstelsel gaat, uitleggen hoe de vertering plaatsvindt en hoe voedingsstoffen uiteindelijk in het bloed komen.

Deze slide heeft geen instructies

Welke woorden denk jij aan bij vertering?

Gebruik de woordwolk om voorkennis op te halen. Vraag kort door op woorden als maag, darmen, bloed, kauwen of enzymen.

De route van voedsel

Voedsel gaat door het verteringsstelsel in een vaste volgorde:


mondholte → slokdarm → maag → twaalfvingerige darm → dunne darm → dikke darm → endeldarm → anus

Benadruk dat de twaalfvingerige darm het eerste deel van de dunne darm is.

De route van voedsel begint

Voedsel komt eerst in de mondholte. Daarna gaat het door de slokdarm naar de maag. In de mond begin je al met kauwen en slikken.

mondholte
slokdarm
luchtpijp
neus
lever

Deze slide heeft geen instructies

Voedsel gaat verder door het lichaam

Na de maag komt het voedsel in de twaalfvingerige darm. Daarna gaat het naar de dunne darm. Daar wordt veel voedsel verder verteerd.

twaalfvingerige darm
dunne darm
blaas
hart
luchtpijp

Deze slide heeft geen instructies

Het einde van de route

Na de dunne darm komt de dikke darm. Daarna gaat wat overblijft naar de endeldarm en verlaat het lichaam via de anus.

dikke darm
endeldarm
nier
alvleesklier
slokdarm

Deze slide heeft geen instructies

Mond: begin van de vertering

  • Tanden en kiezen maken voedsel kleiner

  • De tong mengt het voedsel en vormt een voedselbrij

  • Speeksel maakt het voedsel glad

  • In speeksel zitten enzymen die de vertering starten

Noem dat hier zowel mechanische vertering (kauwen) als chemische vertering (enzymen in speeksel) begint.

Slikken en doorslikken

  • De tong duwt de voedselbrij naar de keelholte

  • De huig sluit de neusholte af

  • Het strotklepje sluit de luchtpijp af

  • Daardoor gaat voedsel de slokdarm in

Een veelgemaakte fout is dat leerlingen denken dat voedsel en lucht dezelfde weg blijven volgen. Leg uit dat afsluiten tijdens het slikken dat voorkomt.

Slokdarm: vervoer naar de maag

De slokdarm verteert voedsel niet. Hij vervoert de voedselbrij met peristaltische bewegingen: samentrekkingen van spieren in de wand duwen het voedsel naar beneden.

Je kunt benoemen dat peristaltiek ook werkt als je niet rechtop staat.

Maag: kneden en mengen

  • In de maag wordt voedsel gekneed en gemengd

  • Er komt maagsap bij de voedselbrij

  • In maagsap zitten enzymen die vertering voortzetten

  • De maag maakt van voedsel een goed gemengde brij

Houd het op hoofdlijnen: maag als plek van mengen, kneden en chemische vertering.

Welk deel verteert voedsel niet, maar vervoert het wel?

A

slokdarm

B

maag

C

mond

D

dunne darm

Controleert het verschil tussen verteren en vervoeren. Leerlingen verwarren de slokdarm vaak met een plek waar ook vertering gebeurt.

Van mond naar maag

In de mond begint de vertering. De tong maakt van voedsel een voedselbrij en bij het slikken sluit het strotklepje de luchtpijp af. Daarna duwen peristaltische bewegingen het voedsel door de slokdarm naar de maag.

mond
voedselbrij
strotklepje
peristaltische bewegingen
huig
endeldarm
maagsap
darmvlokken

Alle kernwoorden komen uit de eerste subtopic: mond, slikken, slokdarm en maag.

Waarom vertering op meer plekken gebeurt

Grote voedingsstoffen kunnen niet meteen door de darmwand.


Daarom gebeurt vertering stap voor stap op vier plekken:

  • mond

  • maag

  • twaalfvingerige darm

  • dunne darm

Koppel terug aan het centrale idee: voedsel moet klein genoeg worden om opgenomen te kunnen worden in het bloed.

Vertering door enzymen

Vertering is het kleinmaken van voedingsstoffen, zodat ze naar het bloed kunnen.


Verteringssappen bevatten enzymen. Die breken grote voedingsstoffen af in kleinere deeltjes.

Gebruik consequent de termen verteringssappen en enzymen. Vermijd te veel details over scheikundige reacties.

Elk enzym heeft een eigen taak

  • Een enzym breekt maar één soort voedingsstof af

  • Er zijn enzymen voor koolhydraten, eiwitten en vetten

  • Daardoor zijn op verschillende plaatsen verschillende enzymen nodig

Benadruk het structuur-functieprincipe: een enzym past bij één soort stof.

Waar vindt chemische vertering plaats?

Mond

Speeksel start de vertering.



Maag

Maagsap zet vertering voort.

Twaalfvingerige darm

Alvleessap helpt bij verdere vertering.


Dunne darm

Darmsap maakt de vertering af.

Noem dat de bron vier plaatsen onderscheidt. Houd het verschil tussen twaalfvingerige darm en dunne darm duidelijk.

Koolhydraten, eiwitten en vetten

  • Koolhydraten worden door enzymen afgebroken tot kleine suikers

  • Eiwitten worden afgebroken tot kleine bouwstoffen

  • Vetten worden afgebroken tot kleine vetdeeltjes

  • Alleen kleine deeltjes kunnen later worden opgenomen

De opdracht vraagt om uitleg op hoofdlijnen; noem geen extra moeilijke stofnamen als dat niet nodig is voor deze groep.

Sleepvraag

koolhydraten

eiwitten

koolhydraten, eiwitten en vetten

koolhydraten en eiwitten

mondholte

maag

twaalfvingerige darm

dunne darm

Deze slide heeft geen instructies

Waarom gebeurt vertering op meer dan één plek?

A

Voedsel moet eerst klein worden

B

Water moet eerst verdwijnen

C

De slokdarm maakt sap

D

De dikke darm start direct

De kern is dat grote voedingsstoffen niet meteen door de darmwand kunnen.

Enzymen en plaatsen

Verteringssappen bevatten enzymen. Die breken grote voedingsstoffen af. In de twaalfvingerige darm helpt alvleessap verder bij de vertering en in de dunne darm maakt darmsap de vertering af. Enzymen werken op één soort voedingsstof.

enzymen
twaalfvingerige darm
dunne darm
één soort voedingsstof
haarvaten
dikke darm
voedselbrij
water

Let op het onderscheid tussen twaalfvingerige darm en dunne darm.

Waarom zijn verschillende enzymen nodig?

Bespreek dat koolhydraten, eiwitten en vetten elk eigen enzymen nodig hebben en daarom niet allemaal op precies dezelfde manier of plek worden afgebroken.

Dunne darm: opname in het bloed

  • In de dunne darm komen voedingsstoffen in het bloed

  • De darmwand heeft veel darmplooien en darmvlokken

  • Daardoor is het opname-oppervlak groot

Koppel structuur aan functie: plooien en vlokken vergroten het oppervlak, dus opname gaat efficiënter.

Door de darmwand naar haarvaten

In de dunne darmwand zitten veel kleine bloedvaatjes: darmplooien. De verteerde voedingsstoffen gaan door de darmwand heen en komen zo in het bloed terecht.

Benadruk dat opname pas kan nadat voedingsstoffen klein genoeg zijn gemaakt.

Dikke darm: water terug naar het bloed

  • Niet alles uit voedsel wordt verteerd

  • In de dikke darm blijft onverteerd materiaal over

  • Water gaat uit deze resten terug naar het bloed

  • De resten worden daardoor steviger

Maak onderscheid tussen opname van voedingsstoffen in de dunne darm en opname van vooral water in de dikke darm.

Endeldarm en anus

  • De overgebleven resten komen in de endeldarm

  • Daar wordt ontlasting tijdelijk opgeslagen

  • Via de anus verlaat de ontlasting het lichaam

Gebruik eventueel het woord ontlasting naast poep voor biologisch taalgebruik.

Van voedsel tot afval

Voedsel → verteren in mond, maag, twaalfvingerige darm en dunne darm → voedingsstoffen naar het bloed → water uit resten in de dikke darm → ontlasting via endeldarm en anus

Deze samenvattende keten verbindt alle onderdelen van het leerdoel in één overzicht.

Waar komen verteerde voedingsstoffen in het bloed?

A

dikke darm

B

maag

C

dunne darm

D

slokdarm

Controleert het verschil tussen opname van voedingsstoffen in de dunne darm en opname van water in de dikke darm.

Van opname tot ontlasting

In de dunne darm zorgen darmplooien en darmvlokken voor een groot oppervlak. Voedingsstoffen gaan door de darmwand naar de haarvaten. In de dikke darm gaat water uit resten terug naar het bloed.

darmplooien
darmvlokken
haarvaten
dikke darm
slokdarm
maagsap
endeldarm
enzymen

De volgorde van opname en waterterugwinning is hier belangrijk.

Wat gebeurt er met onverteerde resten?

Mogelijke goede elementen: onverteerde resten worden steviger in de dikke darm, gaan naar de endeldarm, worden daar opgeslagen en verlaten via de anus het lichaam.

Begrippen

verteringsstelsel - organen die voedsel verwerken en verplaatsen

vertering - het kleinmaken van voedingsstoffen zodat ze opgenomen kunnen worden

enzym - stof in verteringssappen die een voedingsstof afbreekt

peristaltische bewegingen - spierbewegingen die voedsel door het verteringsstelsel duwen

speeksel - verteringssap in de mond

maagsap - verteringssap in de maag

alvleessap - verteringssap dat in de twaalfvingerige darm helpt bij vertering

Deze slide heeft geen instructies

Begrippen

darmsap - verteringssap in de dunne darm

darmplooien - plooien in de darmwand die het oppervlak vergroten

darmvlokken - kleine uitstulpingen in de dunne darmwand voor opname

haarvaten - heel kleine bloedvaatjes in de darmwand

dunne darm - deel van het verteringsstelsel waar vertering wordt afgemaakt en voedingsstoffen worden opgenomen

dikke darm - deel van het verteringsstelsel waar water uit resten naar het bloed gaat

endeldarm - laatste deel van de darm waar ontlasting wordt opgeslagen

Deze slide heeft geen instructies