LICHAAM · VERTERINGSSTELSEL
Verteringsstelsel
Examenstof biologie vmbo
LICHAAM · VERTERINGSSTELSEL
Verteringsstelsel
Examenstof biologie vmbo
Les 1 van 3: uitleg. Les 2 is de examentraining, les 3 de terugblik met quiz. Syllabus: BI/K/9.1, BI/K/9.2. Image credit: Saral Shots / Wikimedia Commons, CC0
LICHAAM · VERTERINGSSTELSEL
Wat ga je kunnen?
Ik kan de delen van het verteringsstelsel aanwijzen en vertellen wat ze doen.
Deze slide heeft geen instructies
Wat gebeurt er met een boterham nadat je hem doorslikt?
Verwacht: hij gaat naar de maag, wordt kleiner, gaat de darmen in, het blijft over als poep. Koppel de woorden aan de les: verteren, opnemen in het bloed. Veelgemaakte misvatting: eten gaat direct in het bloed of 'verdwijnt' in de maag. Het voedsel wordt eerst verteerd, daarna worden de kleine stoffen opgenomen.
Brood bevat zetmeel, een koolhydraat
LICHAAM · VERTERINGSSTELSEL
Wat is vertering?
Je voedsel bevat eiwitten, koolhydraten en vetten.
Die stoffen zijn te groot voor je bloed. Ze worden eerst verteerd: afgebroken tot kleine stoffen.
De kleine stoffen worden opgenomen in het bloed. Zo komen ze bij je cellen.
Eerst bewerk je het voedsel: kauwen en kneden maakt het kleiner.
Syllabus BI/K/9 (specificatie 13.1 en 13.2). BB, KB en GT: eiwitten, koolhydraten en vetten worden verteerd en de stoffen uit het verteringskanaal worden opgenomen in het bloed. KB/GT: voedingsmiddelen worden bewerkt (snijden, koken, kauwen, kneden) zodat enzymen bij de eiwitten, koolhydraten en vetten kunnen. Veelgemaakte fout: vertering en opname door elkaar halen. Vertering is afbreken, opname is het binnengaan van het bloed. Image credit: Saral Shots / Wikimedia Commons, CC0
Het spijsverteringsstelsel van de mens met de klieren die erbij horen
LICHAAM · VERTERINGSSTELSEL
Het verteringskanaal
Het voedsel gaat door één lange buis: het verteringskanaal.
Mond, slokdarm, maag, twaalfvingerige darm, dunne darm, dikke darm, endeldarm en anus.
De dunne darm is het langst. Daar worden de meeste stoffen opgenomen in het bloed.
Lever, galblaas en alvleesklier liggen langs de buis. Het voedsel gaat er niet doorheen.
Syllabus BI/K/9 (specificatie 13.1 en 13.2). Ligging van mond, slokdarm, maag, twaalfvingerige darm, dunne darm, dikke darm, endeldarm met anus. De twaalfvingerige darm is eigenlijk het eerste stuk van de dunne darm; de syllabus noemt hem apart. Veelgemaakte fout: denken dat het voedsel ook door de lever of de alvleesklier gaat. Dat zijn klieren naast het kanaal. Image credit: Mariana Ruiz, bewerkt door Joaquim Alves Gaspar en Jmarchn / Wikimedia Commons, publiek domein; Nederlandse labels toegevoegd
LICHAAM · VERTERINGSSTELSEL
Verteringssappen en enzymen
In je verteringskanaal werken verteringssappen. Ze helpen het voedsel kleiner te maken.
Er zijn vier verteringssappen: speeksel, maagsap, alvleessap en darmsap.
Speeksel komt uit de speekselklieren, maagsap uit de maagsapklieren en alvleessap uit de alvleesklier.
Darmsap wordt gemaakt door de dunne darm.
In de sappen zitten enzymen. Zonder enzymen gaat verteren veel te langzaam.
Syllabus BI/K/9 (specificatie 13.1 en 13.2). Productie van verteringssappen in speekselklieren, maagsapklieren, alvleesklier en dunne darm. KB/GT: de verteringssappen bevatten verteringsenzymen en je kent de algemene functie van enzymen: voedingsstoffen afbreken tot kleine stoffen. Veelgemaakte fout: gal rekenen tot de verteringssappen. Gal bevat geen enzymen.
Zet de weg van het voedsel na de mond op volgorde
Slokdarm, maag, twaalfvingerige darm, dunne darm, dikke darm. Verwachte fout: de dunne darm voor de twaalfvingerige darm zetten.
Wat doet een enzym in een verteringssap?
Het doodt de bacteriën in het voedsel
Het neemt de stoffen op in het bloed
Het maakt het voedsel nat en glad
Het helpt voedingsstoffen af te breken
Enzymen breken voedingsstoffen af tot kleine stoffen. Verwachte fout: enzymen verwarren met maagzuur, dat bacteriën doodt, of met speeksel, dat het voedsel nat maakt.
LICHAAM · VERTERINGSSTELSEL
Mond, tong en speeksel
In de mond maken tanden en kiezen het voedsel kleiner. Dat heet kauwen.
De tong schuift het voedsel heen en weer, laat je proeven en duwt het naar achteren als je slikt.
De speekselklieren maken speeksel. Het maakt het voedsel nat en glad.
Speeksel bevat stoffen die bacteriën tegengaan. Zo word je minder snel ziek van je voedsel.
Speeksel bevat enzymen: de vertering begint al in je mond.
Syllabus BI/K/9 (specificatie 13.1 en 13.2). Mond met tong, speekselklieren, tanden en kiezen; speeksel beschermt tegen infecties via het voedsel. KB/GT: speeksel is een verteringssap met enzymen. Veelgemaakte fout: denken dat de vertering pas in de maag begint.
LICHAAM · VERTERINGSSTELSEL
Slokdarm en maag
De slokdarm is een buis met een spierwand. Hij brengt het voedsel naar de maag.
De spierwand trekt in golven samen en duwt het voedsel verder. Dat heet darmperistaltiek.
In de maag kneedt de spierwand het voedsel door elkaar met maagsap.
Maagsap komt uit de maagsapklieren in de maagwand en bevat maagzuur.
Maagzuur doodt veel bacteriën uit het voedsel. Zo word je minder snel ziek.
Syllabus BI/K/9 (specificatie 13.1 en 13.2). Slokdarm, maag, maagsapklieren, maagzuur beschermt tegen infecties, functie van darmperistaltiek. KB/GT: maagsap bevat enzymen. Veelgemaakte fout: denken dat het voedsel door de zwaartekracht naar beneden valt. De spieren duwen het voedsel verder, ook als je ondersteboven hangt.
LICHAAM · VERTERINGSSTELSEL
Darmen en anus
De twaalfvingerige darm is het eerste stuk van de dunne darm. Daar komen gal en alvleessap binnen.
De alvleesklier ligt achter de maag. Ze maakt alvleessap, een verteringssap.
In de dunne darm maakt de darmwand darmsap. Hier wordt het voedsel klaar verteerd en gaan de stoffen het bloed in.
De dikke darm neemt water op uit de resten die niet verteerd zijn.
De endeldarm bewaart de resten tot je naar het toilet gaat. Door de anus verlaten ze je lichaam.
Syllabus BI/K/9 (specificatie 13.1 en 13.2). Twaalfvingerige darm, dunne darm, dikke darm, endeldarm met anus, ligging en functies van de alvleesklier. KB/GT: alvleessap en darmsap bevatten verteringsenzymen. Veelgemaakte fout: denken dat de dikke darm belangrijker is voor de opname van voedingsstoffen. De dikke darm is korter dan de dunne darm en neemt vooral water op.
Vul in
De speekselklieren maken speeksel. Speeksel en maagzuur gaan bacteriën in je voedsel tegen.
Speekselklieren maken speeksel; speeksel en maagzuur beschermen tegen infecties. Verwachte fout: alvleesklier invullen, omdat die ook een verteringssap maakt.
Wat gebeurt er met de resten in de endeldarm?
Ze worden verder verteerd
Ze worden bewaard tot je naar de wc gaat
Het water wordt eruit gehaald
Ze worden in het bloed opgenomen
De endeldarm bewaart de ontlasting tot die door de anus naar buiten gaat. Verwachte fout: kiezen voor water opnemen, dat gebeurt in de dikke darm.
Gal emulgeert vet: van een grote druppel naar veel kleine druppels
LICHAAM · VERTERINGSSTELSEL
Lever, galblaas en poortader
De lever ligt rechtsboven in je buik. Ze breekt afval- en gifstoffen af en maakt gal.
De galblaas slaat gal op. Gal emulgeert vet: een grote druppel wordt veel kleine druppels.
Het bloed uit de darmen gaat via de poortader eerst naar de lever, die voedingsstoffen bewerkt.
De lever slaat glucose op als glycogeen en maakt er later weer glucose van.
Syllabus BI/K/9 (specificatie 13.1 en 13.2). Ligging en functies van de lever (afbraak afval- en gifstoffen, productie van gal) en de galblaas (opslag van gal). Alleen KB/GT: functie van gal (emulgeren van vetten), afvoer van bloed via de poortader naar de lever, bewerking van voedingsstoffen, opslag van glycogeen gevormd uit glucose en omzetting van glycogeen in glucose. Veelgemaakte fout: denken dat de galblaas gal maakt. De lever maakt gal, de galblaas bewaart het. Image credit: Eigen tekening
Doorsnede van een tand met de namen van de delen
LICHAAM · VERTERINGSSTELSEL
Bouw van een tand
Een tand heeft een kroon boven het tandvlees en een wortel in het kaakbot.
Glazuur is de harde buitenlaag van de kroon. Daaronder ligt het tandbeen.
Een laagje cement bedekt de wortel en houdt de tand vast in de kaak.
In het midden lopen zenuwen en bloedvaten.
Syllabus BI/K/9 (specificatie 13.1 en 13.2). De bouw van tanden en kiezen met glazuur, tandbeen, wortel, cement, zenuw en bloedvaten. Kiezen zijn op dezelfde manier opgebouwd, maar hebben meer wortels. Veelgemaakte fout: glazuur en tandbeen verwisselen. Glazuur zit buiten en is het hardst. Image credit: Eigen tekening
Tandpasta op een tandenborstel
LICHAAM · VERTERINGSSTELSEL
Tandbederf tegengaan
Op je tanden zit tandplak: een laagje bacteriën. Zij maken van suiker zuur.
Het zuur tast het glazuur aan. Zo ontstaat een gaatje: tandbederf.
Tandenpoetsen haalt de tandplak weg. Speeksel spoelt etensresten weg en maakt het zuur minder sterk.
Fluoride maakt je glazuur sterker. Het zit in tandpasta of de tandarts smeert het op je tanden.
Syllabus BI/K/9 (specificatie 13.1 en 13.2). Tegengaan tandbederf, met name de rol van speeksel, tandenpoetsen en fluorbehandeling. Veelgemaakte fout: denken dat suiker zelf het glazuur oplost. De bacteriën maken van suiker het zuur dat het glazuur aantast. Image credit: Steve Buissinne / Wikimedia Commons, CC0
Welk orgaan maakt gal?
De lever maakt gal. Verwachte fout: galblaas, want daar wordt gal alleen opgeslagen.
Waar gaat het bloed uit de darmen eerst naartoe?
Via de poortader naar de lever
Direct naar de nieren en de blaas
Rechtstreeks naar je hart en longen
Naar de galblaas, om bewaard te worden
Alleen KB/GT. Het bloed met voedingsstoffen gaat via de poortader naar de lever. Verwachte fout: denken dat het direct naar het hart gaat.
Wat vond je vandaag het lastigst?
De weg van het voedsel
Verteringssappen en enzymen
Lever, gal en glycogeen
Tanden en tandbederf
Bespreek het onderdeel met de meeste stemmen de volgende les nog eens met een tekening.
Wat vond je het lastigst om te onthouden?
Open reflectie. Laat leerlingen een eigen trucje bedenken, bijvoorbeeld een zin voor de volgorde van de darmen.
LICHAAM · VERTERINGSSTELSEL
Begrippen (1/2)
verteringssap: Vloeistof met enzymen die voedsel helpt af te breken.
enzym: Stof die helpt voedingsstoffen af te breken.
speekselklier: Klier die speeksel maakt.
maagsapklier: Klier in de maagwand die maagsap maakt.
alvleesklier: Klier achter de maag die alvleessap maakt.
Deze slide heeft geen instructies
LICHAAM · VERTERINGSSTELSEL
Begrippen (2/2)
darmperistaltiek: Samentrekken van de spierwand in golven dat het voedsel verder duwt.
gal: Stof uit de lever die vet in kleine druppels verdeelt.
glycogeen: Opslagstof in de lever, gemaakt van glucose.
poortader: Bloedvat dat bloed uit de darmen naar de lever brengt.
glazuur: Harde buitenlaag van de kroon van een tand.
Deze slide heeft geen instructies