Lezen - herhaling

Lezen - herhaling

1 / 19
volgende
Slide 1: Slide
newEditorNederlandsWOStudiejaar 5

In deze les zitten 19 slides, met interactieve quizzen en tekstslide.

time-iconLesduur is: 5 min

Onderdelen in deze les

Lezen - herhaling

Wat is het onderwerp van een tekst?

A

Wat de schrijver van het onderwerp vindt

B

De eerste zin van de tekst

C

Waar de tekst over gaat

D

De titel van de tekst

Wat is de hoofdgedachte van een tekst?

A

De belangrijkste boodschap van de tekst

B

De eerste alinea

C

Alle voorbeelden uit de tekst

D

De titel

Wat betekent oriënterend lezen?

A

De tekst woord voor woord lezen

B

Alleen moeilijke woorden lezen

C

Alleen de laatste alinea lezen

D

Kijken waar de tekst ongeveer over gaat

Wat betekent globaal lezen?

A

De tekst snel lezen om de belangrijkste informatie te begrijpen

B

De tekst overschrijven

C

De tekst aandachtig en zorgvuldig lezen

D

De tekst heel snel lezen

Wat betekent zoekend lezen?

A

Alleen moeilijke woorden lezen

B

Een specifieke informatie in de tekst zoeken

C

De tekst hardop lezen

D

De tekst uit het hoofd leren

Welk signaalwoord past bij een chronologisch verband?

A

daarna

B

maar

C

omdat

D

bijvoorbeeld

Welk signaalwoord hoort bij een tegenstelling?

A

eerst

B

daarna

C

maar

D

ook

Welk signaalwoord hoort bij een opsomming?

A

maar

B

ten eerste

C

omdat

D

daarom

Welk signaalwoord hoort bij een toelichting?

A

daarna

B

bijvoorbeeld

C

eerst

D

maar

In welke zin zit een tegenstellend verband?

A

Ik ga naar school en daarna ga ik sporten.

B

Ik heb brood, kaas en melk gekocht.

C

Het regent, maar ik ga toch naar buiten.

D

Eerst ontbijt ik, daarna ga ik naar school.

Wat is een betoog?

A

Een verhaal

B

Een handleiding

C

Een tekst met alleen feiten

D

Een tekst waarin iemand zijn mening probeert te bewijzen

Wat is een verslag?

A

Een tekst met een mening

B

Een tekst over een gebeurtenis die al heeft plaatsgevonden

C

Een grap

D

Een reclame

Wat houdt het tekstdoel 'informeren' in?

A

De lezer iets uitleggen of nieuwe informatie geven

B

De lezer boos maken

C

De lezer laten lachen

D

De lezer iets laten kopen

Wat is het tekstdoel activeren?

A

De lezer jouw mening laten geloven

B

Vermaken

C

De lezer aanzetten om iets te doen

D

De lezer laten lachen

Welke tekst heeft meestal het doel activeren?

A

Reclame

B

Nieuwsbericht

C

Gedicht

D

Verslag

Eerst maakten de leerlingen een planning. Daarna begonnen ze met het onderzoek.

Welk tekstverband zie je hier?

A

Tegenstellend

B

Chronologisch

C

Opsommend

D

Toelichtend

Een tekst probeert de lezer ervan te overtuigen dat plastic tasjes verboden moeten worden.

Wat voor tekstsoort is dit waarschijnlijk?

A

Betoog

B

Verslag

C

Verhaal

D

Handleiding

Je leest alleen de titel, tussenkopjes en bekijkt de afbeeldingen om snel te weten waar een tekst over gaat.
Welke leesstrategie gebruik je?

A

Zoekend lezen

B

Precies lezen

C

Oriënterend lezen

D

Samenvattend lezen