Hoofdstuk 1.1 Identiteit

Hoofdstuk 1.1
Identiteit


Vorming
"Het proces van verwerving van een bepaalde identiteit"

1 / 29
volgende
Slide 1: Tekstslide
MaatschappijwetenschappenMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 4

In deze les zitten 29 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Hoofdstuk 1.1
Identiteit


Vorming
"Het proces van verwerving van een bepaalde identiteit"

Slide 1 - Tekstslide

Leerdoelen
Je kan het begrip referentiekader beschrijven en herkennen in een bron

Je kan de drie aspecten van identiteit benoemen, beschrijven en herkennen in een bron

Je kent het begrip loyaliteitsconflict en kan deze herkennen in een bron

Je begrijpt dat identiteit kan veranderen



Slide 2 - Tekstslide

Waar denk je aan bij het woord identiteit?

Slide 3 - Woordweb

Referentiekader
Ga naar de Nederlandse Voornamenbank   https://nvb.meertens.knaw.nl/

Wat valt je op wanneer je zoekt naar de naam van je opa/oma, vader/moeder en je eigen naam?

Slide 4 - Tekstslide

Referentiekader
  • Referentiekader: Het geheel van kennis, ideeën, ervaringen en overtuigingen van waaruit iemand denkt en handelt.

Slide 5 - Tekstslide

Waarom past deze afbeelding bij het begrip referentiekader?

Slide 6 - Open vraag

Wie ben ik?
Vorm groepen van 3 of 4.


Welke tactiek heb je gebruikt om achter jouw persoon te komen?


Slide 7 - Tekstslide

Wie ben jij?
Schrijf 5 zinnen op die beginnen met: "Ik ben..."

Slide 8 - Tekstslide

Op basis waarvan heb je jezelf omschreven?

Slide 9 - Open vraag

Wat weet je nog van je 'referentiekader'?

Slide 10 - Open vraag

Persoonlijke identiteit
  1. Het beeld dat iemand van zichzelf heeft;
  2. Dat die uitdraagt en anderen voorhoudt;
  3. en dat die als kenmerkend en blijvend beschouwt voor zijn eigen persoon. 

Wie ben ik?

Slide 11 - Tekstslide

Bij welke groepen mensen hoor jij zelf?

Slide 12 - Open vraag

Sociale identiteit
4. Het beeld dat iemand van zichzelf heeft, dat is afgeleid van zijn perceptie over de groep(en) waar die zelf wel of juist ook niet deel van uitmaakt. 

Groepsidentificatie: bij wie hoor ik?

Slide 13 - Tekstslide

Collectieve identiteit
Het beeld dat de samenleving heeft van een groep en welke verwachtingen zij hebben van het gedrag van mensen met een bepaalde identiteit

  • Intern: wie zijn wij?
  • Extern: wie zijn zij?

Slide 14 - Tekstslide

Kernconcept Identiteit 
Het             dat iemand van                heeft, dat hij                                   en anderen                      en dat hij als                                             en blijvend beschouwt voor zijn eigen persoon en dat is afgeleid van zijn                    over de groep(en) waar hij wel of juist niet deel van                   .
kenmerkend
uitmaakt
perceptie
beeld
uitdraagt
voorhoudt
zichzelf

Slide 15 - Sleepvraag


"Ik ben sociaal, vriendelijk en behulpzaam"
Bij welke soort identiteit past deze uitspraak?
A
Persoonlijke identiteit
B
Sociale identiteit
C
Collectieve identiteit
D
Externe collectieve identiteit

Slide 16 - Quizvraag



Bij welke soort identiteit past deze afbeelding?
A
Persoonlijke identiteit
B
Sociale identiteit
C
Interne collectieve identiteit
D
Externe collectieve identiteit

Slide 17 - Quizvraag

Sleep de term naar de juiste definitie.
<span style="color: rgb(0, 0, 0)">Het beeld dat iemand van zichzelf heeft.</span>
Het deel dat past bij de groepen waar iemand deel&nbsp;van uitmaakt.
<span style="color: rgb(0, 0, 0)">Het beeld dat de samenleving heeft van een groep en het beeld dat ze blijvend kenmerkend voor die groep vindt.</span>
Persoonlijke identiteit
Sociale identiteit
Collectieve identiteit

Slide 18 - Sleepvraag

Mijn online identiteit
Welke sociale media gebruik jij? Noteer:
Whatsapp - Instagram - Facebook - Snapchat - TikTok - Twitter - Youtube, etc.

Hoeveel tijd besteed je per dag online (gemiddelde schermtijd) en welk deel van die tijd besteed je aan sociale media?

Welk percentage van die tijd gaat naar het zelf maken van content en hoeveel naar het bekijken van de sociale media van anderen? Maak een cirkeldiagram en verdeel deze op basis van jouw online gedrag (Films en series / Gamen / Schoolwerk / Whatsapp / Sociale media: content maken / Sociale media: content bekijken)

Slide 19 - Tekstslide

Mijn online identiteit
'Schakel je referentiekader uit'
  • Bekijk je eigen sociale media account door de bril van een buitenstaander (alsof je jezelf niet kent)

  • Hoe zien jouw posts eruit en waar gaan ze over? Wie volgen jou en wie of wat volg jij zelf? 

Slide 20 - Tekstslide

Mijn online identiteit
'Schakel je referentiekader uit'
  • Nu zet je je eigen bril weer op: welke onderdelen van jouw identiteit komen in jouw online profiel niet naar voren?

  • Laat je nu online vooral je persoonlijke, sociale of collectieve identiteit zien?

  • Leg uit wat het begrip referentiekader betekent aan de hand van een post van iemand (bekend persoon) wat jij niet begrijpt.

Slide 21 - Tekstslide

Wat weet ik nog?
Je kan het begrip referentiekader beschrijven en herkennen in een bron

Je kan de drie aspecten van identiteit benoemen, beschrijven en herkennen in een bron


Slide 22 - Tekstslide

Welke 4 vragen kun je stellen om iemands identiteit te weten te komen?

Slide 23 - Open vraag

Welk onderdeel van de stof vind je nog lastig en wil je nog meer van weten?

Slide 24 - Woordweb

Wat weet je nog van het kernconcept Identiteit?

Slide 25 - Woordweb

De afbeelding hiernaast
is een voorbeeld van:
A
Persoonlijke identiteit
B
Sociale identiteit
C
Interne collectieve identiteit
D
Externe collectieve identiteit

Slide 26 - Quizvraag

Wat heeft deze afbeelding met het begrip *referentiekader* te maken?

Slide 27 - Open vraag

Spanningen bij identiteit
Beelden en verwachtingen van iemands identiteit kunnen tot spanningen leiden.
Bijvoorbeeld: een arts die rookt

Deze spanningen kunnen leiden tot een loyaliteitsconflict: onderdeel zijn van een groep, maar het niet met alles eens zijn (bijv. hooligans)

Spanningen waarbij de collectieve identiteit belangrijker dan de persoonlijke identiteit wordt geacht (bijv. sektes)

Slide 28 - Tekstslide

Aan de slag
Oefen met de opdrachten uit Paragraaf 1.1. 


Maak daarbij gebruik, zoals je geleerd hebt, van de DTC-methode.
Definitie: noem een element uit de definitie
Toepassen: noem een gegeven uit de tekst.
Conclusie: koppel het element aan het gegeven. 

Slide 29 - Tekstslide