Cliënt en Samenleving/Zorginterventies Gedrag en Welbevinden (Sociale) Netwerken

Sociaal netwerk
Maken van een ecogram
1 / 24
volgende
Slide 1: Tekstslide
Verpleging en verzorgingMBOStudiejaar 2

In deze les zitten 24 slides, met tekstslides.

Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Sociaal netwerk
Maken van een ecogram

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Waar gaat het over
  • Je weet wat het sociale netwerk is
  • Je weet wat een ecogram is.
  • Je weet wat het doel is van een ecogram.
  • Je weet welke vaste gegevens in een ecogram staan.
  • Je weet waarom een sociaal netwerk belangrijk is

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Sociaal netwerk
Een sociaal netwerk is belangrijk voor de vervulling van iemands basisbehoeften.

"De groep mensen met wie iemand ten minste het afgelopen jaar min of meer duurzame banden onderhoudt voor de vervulling van de noodzakelijke levensbehoeften" (ERICKSON, 1976)”.

Het gaat dus om directe, persoonlijke, min of meer duurzame, en betekenisvolle contacten of banden die mensen onderhouden met hun omgeving. We kunnen dat beschouwen als het sociaal kapitaal waarover iemand beschikt.


Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Vervolg sociaal netwerk
op microniveau: de cliënt en het gezin;                                                           Persoonlijk sociaal
op mesoniveau: familie, vrienden, kennissen en buurtgenoten;         Persoonlijk sociaal
op macroniveau: de gemeentelijke overheid, de provincie, het Rijk. Professioneel

Sociale ondersteuning: ondersteuning op diverse sociale gebieden door een deel van het sociale netwerk. (gezin, familie, vrienden, prof. hulpverleners.) en alleen als deze door de ontvanger als zodanig ervaren wordt.


Slide 4 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Vervolg sociaal netwerk
Een persoonlijk sociaal netwerk bestaat uit mensen met wie de zorgvrager een band heeft. Denk bijvoorbeeld aan familie, vrienden, buren of kennissen.

Een professioneel netwerk bestaat uit zorgverleners, bijvoorbeeld een verzorgende, verpleegkundige of begeleider maatschappelijke zorg. Maar ook de kapper ed.

Slide 5 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Functies
Informatieve functie: mensen leren van elkaar wat ze succesvol hebben aangepakt en voorzien aldus in een vorm van natural support.

Ontladende functie: Bij iemand je emoties kwijt kunnen heeft een bevrijdend effect.

Feedbackfunctie: We krijgen van anderen corrigerende reacties, zodat we nieuwe wegen ontdekken om uit de problemen te geraken.

Slide 6 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Steun
E = emotionele steun (waardering, ondersteuning, affectie, acceptatie, bezorgdheid, achting, vertrouwen, begrip en sympathie)
Vb. Waar gaat iemand vertrouwelijke en intieme aangelegenheden bespreken?
Waar gaat iemand 'stoom afblazen', en troost zoeken in crisissituaties?

P = instrumentele steun (praktische en materiële hulp)
Vb. Wie schakelt men in voor kinderoppas, financiële steun, vervoer, het verrichten van klusjes en karweien...enz.


Slide 7 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Vervolg steun
G = gezelschap (aanwezigheid en aansluiting schept veiligheid)
Vb. Waar gaat iemand voor de gezelligheid mensen opzoeken (buurthuis, speelplein, café, bioscoop...)

A = advies en informatie
Vb. Waar gaat men raad vragen voor het nemen van moeilijke beslissingen?


Slide 8 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Niet helpend sociaal netwerk
- Een netwerk kan bijvoorbeeld verstoord raken of wegvallen door psychiatrische problemen,     
   dementie of verslaving.

- In het netwerk kunnen ook mensen zitten die negatief gedrag stimuleren, zoals drugsgebruik 
   of criminaliteit.

- Mensen kunnen het contact kwijtraken door schaamte, negatieve ervaringen of beschadigd 
   vertrouwen.

Slide 9 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Eigenschappen van een netwerk
OMVANG: Hoe groot (omvangrijk) is het netwerk? het totaal aantal mensen met wie contact bestaat. (Zo kan een netwerk onbestaande, ingekrompen of uitgebreid zijn)

DIFFERENTIATIE: (verscheidenheid): de variatie van netwerkleden in leeftijd, geslacht, cultuur/etniciteit sociale klasse, burgerlijke staat, opleiding, scholing en beroep...(een netwerk kan homogeen zijn of heterogeen).

DENSITEIT: dichtheid = blijkt o.m. uit de frequentie van het contact, het initiatief (mate van wederkerigheid en vrijwilligheid) + kwaliteit = gewicht en intensiteit van de (wederzijdse) betrokkenheid.



Slide 10 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Vervolg eigenschappen van een netwerk
BEREIKBAARHEID: de geografische & ruimtelijke afstand tussen de cliënt en netwerkleden. De wijze waarop die afstand overbrugd wordt bepaalt ook de inzetbaarheid (vb. gebruik van GSM).

STABILITEIT: een sociaal netwerk schept een relatief duurzame of eerder wankele en labiele vorm van sociale bescherming.


Slide 11 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Netwerkkenmerken
Onderscheid tussen sterke bindingen en zwakke bindingen.
 

Sterkte of zwakte van een netwerk hangt af van de persoon, een persoon die weinig buiten komt zal bv. een zwakker sociaal netwerk hebben dan iemand die veel buiten komt.

Voor wie is een netwerk extra van belang?
ouderen, gehandicapten, etc.

In kaart brengen door: ecogram.


Slide 12 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Herhaling
- sociaal netwerk op 3 niveau's 
- 3 functies (informatief, ontladend, feedback)
- 4 steunfuncties (emotioneel, instrumenteel, gezelschap, 
    advies en informatie)
- 5 eigenschappen (omvang, differentiatie, stabiliteit, bereik-
   baarheid, stabiliteit)
- 2 kenmerken (sterke en zwakke bindingen)

Slide 13 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Ecogram
Met een ecogram brengen we de belangrijke sociale contacten van de zorgvrager in beeld.

Schema/ Overzicht

Slide 14 - Tekstslide

Een ecogram heeft de vorm van een ster. Je tekent een cirkel in het midden van het schema. Daarin staat de naam van de cliënt. Vervolgens maak je rondom deze cirkel allerlei rondjes. De rondjes staan voor de persoonlijke contacten van de cliënt. In de brochure is te zien hoe de ster precies opgemaakt wordt.
Ecogram
  • Familie
  • Andere relaties (vrienden, medebewoners, oude kennissen en collega's, geestelijk raadslieden
  • Zakelijke contacten (arts, fysiotherapeut, huishoudelijke of verzorgende medewerker of activiteitenbegeleidster

Slide 15 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Het doel van een ecogram
Uit een ecogram kan duidelijk worden:

Welke hulpbronnen de cliënt heeft in zijn omgeving om zijn behoeften te vervullen en waar dit nog versterkt moet worden.

Slide 16 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 17 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Ecogram maken
Een ecogram heeft de vorm van een ster. 

Je tekent een cirkel in het hart van het schema. 

De rondjes staan voor de persoonlijke contacten van de bewoner

Slide 18 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Ecogram maken
Meestal gaat het om een aantal vaste gegevens;
  • Gezin van herkomst (G)
  • Overige familieleden (F)
  •  Vrienden (V)
  • Oude buren, collega’s en kennissen (K)  
  • Buren (B)
  • Medebewoners (M)
  • Raadslieden (R)
  • Zorgverleners (Z)

Slide 19 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Ecogram maken
De cirkels worden via een lijn verbonden met het hart

Er zijn drie soorten lijnen:




Elke lijn is ook met een pijn gericht:
  • Van de zorgvrager naar de ander
  • Van de ander naar de zorgvrager
  • En wederzijds (twee pijlen)

Slide 20 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Ecogram maken
Invullen bij elk contact:

P= Praktische steun (materiële functie) 
A= Advies (informatiefunctie) 
G= Gezelschap (aansluitingsfunctie)
E=Emotionele steun (affectieve functie)


Slide 21 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Ecogram maken in de praktijk
Voorbeeldvragen bij het maken van een ecogram: 
• Met wie praat u als u het moeilijk hebt? 
• Welke rol speelt deze persoon in uw leven? 
• Met wie gaat u (weleens) naar buiten? 
• Hoe is het contact met familieleden? 
• Bij wie gaat u wel eens op bezoek? 
• Correspondeert (brieven, ansichtkaarten, fax, e-mail) u? En met wie is dat? 
• Gaat u wel eens uit logeren en bij wie? 

Slide 22 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Aan de slag
Maak een ecogram van een klasgenoot.
Stel vragen aan elkaar en stel het ecogram op.

Maak de opdrachten van Learnbeat

Slide 23 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 24 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies