The snowman

1 / 28
volgende
Slide 1: Tekstslide
WoordenschatISK

In deze les zitten 28 slides, met interactieve quizzen, tekstslide en 1 video.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Tekstslide

26

Slide 2 - Video

00:51
Wat zag de jongen?
A
Een ster
B
Een vogel
C
Sneeuw
D
De zon

Slide 3 - Quizvraag

01:23
Wat mocht hij niet vergeten?
A
Zijn broek
B
Zijn trui
C
Zijn muts
D
Zijn wollen sokken

Slide 4 - Quizvraag

02:37
Wat gaat hij maken?
A
Een sneeuwbal
B
Een sneeuwengel
C
Een iglo
D
Een sneeuwpop

Slide 5 - Quizvraag

03:04
Hoe kreeg hij het hoofd erop?
A
Met een trap
B
Met een stoeltje
C
Met een sneeuwberg
D
Door te springen

Slide 6 - Quizvraag

03:18
Wat moest de sneeuwpop nog?
A
Een sjaal en een tas
B
Een sjaal en een bezem
C
Een sjaal en een oude hoed
D
Een bezem en een oude hoed

Slide 7 - Quizvraag

05:16
Hij heeft:
A
het koud
B
dorst
C
honger
D
het warm

Slide 8 - Quizvraag

05:50
Wat deden ze?
A
Ze dansten
B
Ze gaven elkaar een hand
C
Ze huilden
D
Ze praatten

Slide 9 - Quizvraag

06:19
Wat doet de kat?
A
Ze spint
B
Ze miauwt
C
Ze loopt weg
D
Ze schrikt

Slide 10 - Quizvraag

06:50
De sneeuwpop werd
A
blij
B
boos
C
moe
D
verdrietig

Slide 11 - Quizvraag

07:24
Als de sneeuwpop warm wordt kan hij
A
slapen
B
springen
C
dansen
D
smelten

Slide 12 - Quizvraag

08:06
Wat stond er op de keukentafel?
A
Een taart met een klein sneeuwpopje erop
B
Een taart met een grote sneeuwpop erop
C
Een taart met een klein kaarsje erop
D
Een taart met een grote kaars erop

Slide 13 - Quizvraag

08:36
Welke neus past het best?
A
De banaan
B
De mandarijn
C
De ananas
D
De appel

Slide 14 - Quizvraag

09:53
Wat deed hij op zijn wangen?
A
Wat blauw
B
Wat geel
C
Wat oranje
D
Wat rood

Slide 15 - Quizvraag

10:44
Wat moest hij?
A
Niesen
B
Hoesten
C
Boeren
D
Huilen

Slide 16 - Quizvraag

11:08
Wat doet de sneeuwman?
A
Hij fluistert
B
Hij gaapt
C
Hij danst
D
Hij loopt

Slide 17 - Quizvraag

11:52
Wat gebeurde er toen de muziek uit was?
A
Ze dansten verder
B
Ze gingen naar bed
C
Ze gingen naar buiten
D
Ze vielen op de grond

Slide 18 - Quizvraag

12:42
Wat stond daar?
A
Een nieuwe motorfiets
B
Een nieuwe fiets
C
Een oude motorfiets
D
Een oude fiets

Slide 19 - Quizvraag

14:19
Wat was er gebeurd?
A
Zijn benen zijn bevroren
B
Hij kwam uit bad
C
Zijn benen zijn gesmolten
D
Hij viel om

Slide 20 - Quizvraag

14:39
Waar gaat de sneeuwpop in?
A
De koelkast
B
De kelder
C
De vrieskist
D
De gereedschapskist

Slide 21 - Quizvraag

15:21
Wat doen ze nu?
A
Zwemmen
B
Vliegen
C
Varen
D
Kruipen

Slide 22 - Quizvraag

18:58
Waar liepen ze?
A
Door een wei
B
Door de zee
C
Door een straat
D
Door een dennenbos

Slide 23 - Quizvraag

19:22
Wie stond daar?
A
De kerstman
B
Sinterklaas
C
De kerstelf
D
Het rendier

Slide 24 - Quizvraag

21:33
Waar bracht de kerstman het jongetje en de sneeuwpop?
A
Naar het bos
B
Naar een huis
C
Naar een stal
D
Naar de zee

Slide 25 - Quizvraag

21:54
Wat zat er in het pakje?
A
Een mooie gele sjaal
B
Een mooie blauwe sjaal
C
Een mooie groene sjaal
D
Een mooie rode sjaal

Slide 26 - Quizvraag

23:40
De kamer was vol
A
speelgoed
B
zonlicht
C
maneschijn
D
ballonnen

Slide 27 - Quizvraag

24:20
Wat zat er in zijn zak?
A
Een gele zakdoek
B
Een rode muts
C
Een groene sjaal
D
Een blauwe sjaal

Slide 28 - Quizvraag