Taalcompleet A2 thema 1, deel 1

Taalcompleet A2 thema 1
BUREN/ FAMILIE/ VERHUIZEN
Abdirashid, Abdisamad, Shames, Raghad, Arsema
1 / 28
volgende
Slide 1: Tekstslide
NT2MBOStudiejaar 1,2

In deze les zitten 28 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 60 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Taalcompleet A2 thema 1
BUREN/ FAMILIE/ VERHUIZEN
Abdirashid, Abdisamad, Shames, Raghad, Arsema

Slide 1 - Tekstslide

Familie en buren

Slide 2 - Tekstslide

Deze woorden heb je geleerd:

1. al
2. pas
3. of
4. dus

Je hebt geleerd op welke plek in de zin je 'een tijd' zet. 
Deze vraagwoorden heb je geleerd:

1. wanneer
2. wat
3. waarom
4. hoelang
5. hoe laat

Slide 3 - Tekstslide

Welk woord hoort er niet bij
A
zwanger
B
lenen
C
geboren
D
bevallen

Slide 4 - Quizvraag

Welk woord hoort er niet bij
A
ontmoeten
B
de buren
C
de oudste
D
voor het eerst

Slide 5 - Quizvraag

Welke zin is goed?
A
deze is mijn man
B
die is mijn vrouw
C
mijn dochter daar is
D
dat is mijn zoon

Slide 6 - Quizvraag

Welke zin is goed?
A
ik ben al tien jaar getrouwd
B
zij pas zijn 2 jaar mijn buren
C
hij is pas gister naar zijn werk
D
zij al wonen daar 30 jaar

Slide 7 - Quizvraag

verhuizen

Slide 8 - Tekstslide

Welk woord hoort er niet bij
A
de lage
B
de brede
C
de spiegel
D
de ruime

Slide 9 - Quizvraag

Welke zin is goed?
A
ik wil kopen een stoel
B
hij wil een stoel kopen
C
de stoel zij wil kopen
D
kopen hij wil de stoel

Slide 10 - Quizvraag

Welke zin is goed?
A
Ik ga om zes uur naar huis
B
Ik al ga om zes uur naar huis
C
Ik naar huis ga om zes uur
D
Naar huis ik ga om zes uur

Slide 11 - Quizvraag

Welke zin is goed?
A
Yasmin woont in Delft al tien jaar
B
Hij volgende week gaat naar de film
C
Wij vanavond gaan in restaurant eten
D
Mijn broer woont sinds gister in Delft

Slide 12 - Quizvraag

Welke zin is fout?
A
Hoe laat ga je naar huis?
B
Wanneer ga je naar de winkel?
C
Wat gaan zij straks doen?
D
Hoelang jij gaat naar de sportclub?

Slide 13 - Quizvraag

Welk woord hoort er niet bij?
uit 1.8-Marktplaats
A
bieden
B
tweedehands
C
centimeter
D
advertentie

Slide 14 - Quizvraag

Wat is het tegenovergestelde van 'jongste'?

Slide 15 - Open vraag

Wat is het tegenovergestelde van 'laatste'?

Slide 16 - Open vraag

Wat is het tegenovergestelde van 'lichte'?

Slide 17 - Open vraag

Zinsvolgorde
Wie of wat - werkwoord -  tijd -     wie of wat -   plaats 
              Ik               leer       vandaag  Nederlands    op school. 

Wie of wat - eerste werkwoord - tijd -          plaats -                        tweede werkwoord
Ik                             ga                          morgen     in de bibliotheek                       studeren.  

Ik ga morgen in de bibliotheek studeren. 

Slide 18 - Tekstslide

Zet in de goede volgorde:
koop - in Delft - ik -een broek

Slide 19 - Open vraag

Zet in de goede volgorde:
een e-mail - schrijft - op school - hij - vanochtend

Slide 20 - Open vraag

Zet in de goede volgorde:
wij - zwemmen - willen - morgen

Slide 21 - Open vraag

Mahnoor is jarig, wat zeg je tegen haar?

Slide 22 - Open vraag

Er ..... vier kamers in mijn huis.
A
is
B
zijn

Slide 23 - Quizvraag

Er .......... geen les volgende week donderdag.
A
is
B
zijn

Slide 24 - Quizvraag

Twee hoofdzinnen
Sommige zinnen bestaan uit twee hoofdzinnen. Je verbindt deze met: en, maar, want, dus, of. 

Voorbeeld:
Ik ben ziek, dus ik kan niet naar school.
Ik heb goed geleerd, want ik heb vandaag een toets.
De woonkamer is groot en de keuken is nieuw.  

Slide 25 - Tekstslide

Zet in de goede volgorde:
Ik - dus - geen auto - de - fiets - ga - met - heb - ik

Slide 26 - Open vraag

Zet in de goede volgorde:
dit - thuis? - blijf - weekend - Ga - werken - of - je - je

Slide 27 - Open vraag

Wat betekent modern? /TC 1.8

Slide 28 - Open vraag