HV2 les 5 H6 bijwoordelijke bepaling en voorzetselvoorwerp

Vandaag
Lezen
Herhaling meewerkend voorwerp
Uitleg bijwoordelijke bepaling en voorzetselvoorwerp blz. 28 en 195
Aan de slag: keuzebord


1 / 20
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 1

In deze les zitten 20 slides, met tekstslides.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

Vandaag
Lezen
Herhaling meewerkend voorwerp
Uitleg bijwoordelijke bepaling en voorzetselvoorwerp blz. 28 en 195
Aan de slag: keuzebord


Slide 1 - Tekstslide

Lezen
timer
10:00

Slide 2 - Tekstslide

Lesdoelen
Na deze les:
weet je hoe je de bijwoordelijke bepaling en het voorzetselvoorwerp vindt in een zin.

Slide 3 - Tekstslide

Heb je het begrepen? Steek 1, 2 of 3 vingers op. 
Wat is het meewerkend voorwerp in de onderstaande zin?

De ouders kochten een cadeau voor hun jarige kind. 

1) de ouders
2) een cadeau
3) voor hun jarige kind








Slide 4 - Tekstslide

Bijwoordelijke bepaling BWB
Saskia sloeg alarm.
 
Dit is een kale zin. Waarom sloeg ze alarm, wanneer sloeg ze alarm, hoe sloeg ze alarm, waar sloeg ze alarm?
Met bijwoordelijke bepalingen krijg je antwoord op zulke vragen. Ze noemen tijd, plaats en omstandigheden. Er kunnen meerdere in een zin staan.

Om half tien sloeg Saskia alarm. WANNEER?
In Instanbul sloeg Saskia alarm. WAAR?
Vanwege de diefstal van haar paspoort sloeg Saskia alarm. WAAROM?
• Door hard te gaan gillen sloeg Saskia alarm. HOE?

Maak aantekeningen!

Slide 5 - Tekstslide

Bijwoordelijke bepaling BWB
Een bijwoordelijke bepaling noemt GEEN eigenschap van een mens, dier of ding!
Dan is het een bijvoeglijke bepaling.

Ook losse woorden kunnen een BWB zijn, zoals:
Ook, zeker, toch, waarschijnlijk, blijkbaar, niet, misschien, absoluut, gelukkig, inderdaad, helaas, immers, hoe, waarom, waarheen.

• Wim rookt niet/kennelijk.
Waarschijnlijk is de accu leeg.

Slide 6 - Tekstslide

Slide 7 - Tekstslide

Slide 8 - Tekstslide

Voorzetselvoorwerp 

Je moet eerst weten wat voorzetsels zijn. Het voorzetsel is meestal eenvoudig te herkennen, de meeste voorzetsels zijn namelijk op de puntjes in te vullen


... de kast (of kooi)
in de kast
op de kast
achter de kooi
naast de kooi
onder het kleed

... het schoolfeest 
tijdens/na/voor het schoolfeest




Slide 9 - Tekstslide

Voorzetselvoorwerp
Meestal is het meteen duidelijk welk voorzetsel je moet gebruiken als je kijkt naar wat er precies gebeurt. De onderstaande zinnen zijn allemaal juist, je moet alleen goed naar de kat kijken en dan gebruik je het juiste voorzetsel.

De kat zit op de bank.
De kat zit naast de bank.
De kat zit onder de bank.
De kat zit achter de bank.
De kat zit tussen de kussens van de bank.


Slide 10 - Tekstslide

Vaste voorzetsels
Soms is het niet duidelijk welk voorzetsel je moet gebruiken, in sommige zinnen hoort een voorzetsel bij een werkwoord. 

Voorbeelden van vaste voorzetsels bij werkwoorden.

trouwen met
zich verbazen over
verliefd zijn op

Slide 11 - Tekstslide

Voorzetselvoorwerp
Het voorzetselvoorwerp begint met een voorzetsel en wordt vaak gevolgd door een voorwerp, bijvoorbeeld:

Ik hou van pindakaas.
voorzetselvoorwerp: van pindakaas

Slide 12 - Tekstslide

Voorzetselvoorwerp
In een zin met een voorzetselvoorwerp 'eist' het werkwoord eigenlijk een bepaald vast voorzetsel. Je kan het voorzetsel niet vervangen door een ander voorzetsel. Zoals:
houden van
denken aan
zoeken naar
snakken naar
zich verdiepen in
trouwen met

Opmerking: Soms heeft een werkwoord verschillende 'vaste' voorzetsels, maar dan is er vaak wel sprake van een betekenisverschil.

Slide 13 - Tekstslide

Voorzetselvoorwerp
Rapper Kanye West breekt na jaren een jarenlange samenwerking met zijn manager. 

Werkwoord? 
Hoort er een vast voorzetsel bij?

Rapper Kanye West breekt na jaren een jarenlange samenwerking met zijn manager
VZV: .................

Slide 14 - Tekstslide

Verschil voorzetselvoorwerp en lijdend voorwerp
Een voorzetselvoorwerp lijkt op een lijdend voorwerp. Toch zijn er erg belangrijke verschillen. 
Een lijdend voorwerp begint niet met een voorzetsel.

Ik zoek een nieuwe heggenschaar.
Wie of wat zoek ik?
lijdend voorwerp: een nieuwe heggenschaar

Ik zoek naar een nieuwe heggenschaar.
werkwoord en vaste voorzetsel?
voorzetselvoorwerp: naar een nieuwe heggenschaar

Slide 15 - Tekstslide

Aan de slag
Huiswerk nakijken

Lezen theorie over bijwoordelijke bepaling en voorzetselvoorwerp.

Keuze:
Ik vind het nog lastig en wil oefenen: maken H6 opdr. 8, 9 en 10.
Gebruik de extra instructie: de uitlegfilmpjes op dia 19.

Ik begrijp het goed: maak de verdiepende opdracht creatief schrijven op dia 20.

Slide 16 - Tekstslide

Verdiepende opdracht creatief schrijven BWB en VZV

Schrijf een kort verhaaltje (5-7 zinnen) waarin je minimaal drie verschillende bijwoordelijke bepalingen en twee voorzetselvoorwerpen gebruikt . Zorg ervoor dat de bepalingen betrekking hebben op tijd, plaats en reden. Onderstreep in jouw tekst de bijwoordelijke bepalingen en zet de voorzetselvoorwerpen tussen haakjes. Let ook op de spelling, interpunctie en grammatica. 

Wissel je tekst uit met een klasgenoot en laat hem of haar controleren:
Zijn er minimaal 3 BWB en 2 VZV gebruikt (tijd, plaats en reden)?
Kunnen ze correct benoemd worden?
Geef elkaar feedback. 
Pas je tekst aan op basis van de feedback en sla de verbeterde versie op. 

Slide 18 - Tekstslide

Volgende les
We gaan verder met redekundig ontleden: H20 naamwoordelijk gezegde

Slide 19 - Tekstslide

Zijn voor jou de lesdoelen behaald
Ik kan in een zin de volgende zinsdelen benoemen:

voorzetselvoorwerp en bijwoordelijke bepaling

Slide 20 - Tekstslide