In deze les zitten 34 slides, met interactieve quizzen en tekstslide.
Onderdelen in deze les
Slide 1 - Tekstslide
Welke eenheid hoort bij de grootheid ‘dichtheid’?
A
kg
B
m³
C
kg/m³
D
N
Slide 2 - Quizvraag
De formule voor vermogen is P = U × I. Als een lamp een spanning van 230 V heeft en een stroom van 0,5 A trekt, wat is dan het vermogen?
A
46 W
B
115 W
C
230 W
D
460 W
Slide 3 - Quizvraag
Een blok metaal heeft een massa van 540 g en een volume van 200 cm³. Wat is de dichtheid van dit metaal?
A
0,27 g/cm³
B
2,7 g/cm³
C
27 g/cm³
D
270 g/cm³
Slide 4 - Quizvraag
In een serieschakeling met twee weerstanden (4 Ω en 6 Ω) is de totale weerstand:
A
2 Ω
B
10 Ω
C
24 Ω
D
0,87 Ω
Slide 5 - Quizvraag
Twee lampen in parallelschakeling hebben elk een spanning van 12 V. De ene lamp trekt 2 A, de andere 3 A. Wat is de totale stroom door de spanningsbron?
A
1 A
B
12 A
C
6 A
D
5 A
Slide 6 - Quizvraag
Een elektrische kachel heeft een vermogen van 2000 W en werkt 3 uur. Hoeveel kWh energie verbruikt hij?
A
0,88 kWh
B
2 kWh
C
6 kWh
D
6000 kWh
Slide 7 - Quizvraag
Een ideale transformator heeft 100 wikkelingen primair en 50 wikkelingen secundair. Als de primaire spanning 230 V is, wat is dan de secundaire spanning?
A
115 V
B
230 V
C
460 V
D
100 V
Slide 8 - Quizvraag
De toonhoogte van een geluid wordt bepaald door:
A
de amplitude
B
de frequentie
C
de geluidssterkte
D
de golflengte
Slide 9 - Quizvraag
Het geluidsniveau wordt gemeten in:
A
hertz (Hz)
B
decibel (dB)
C
watt (W)
D
volt (V)
Slide 10 - Quizvraag
Geluid plant zich voort in lucht met ongeveer:
A
1500 m/s
B
340 m/s
C
3 m/s
D
300 000 m/s
Slide 11 - Quizvraag
Een hefboom is in evenwicht als:
A
kracht × arm links = kracht × arm rechts
B
kracht links = kracht rechts
C
arm links = arm rechts
D
massa links = massa rechts
Slide 12 - Quizvraag
Welke grootheid hoort bij het draai-effect van een kracht?
A
vermogen
B
moment
C
energie
D
druk
Slide 13 - Quizvraag
Druk is kracht per oppervlakte. Als dezelfde kracht over een groter oppervlak werkt, wordt de druk:
A
groter
B
kleiner
C
gelijk
D
nul
Slide 14 - Quizvraag
Op een veiligheidskaart zie je het pictogram “ontvlambaar”. Welke voorzorgsmaatregel is dan het belangrijkst?
A
geen open vuur of vonken in de buurt
B
bril dragen
C
handschoenen dragen
D
alleen in de buitenlucht werken
Slide 15 - Quizvraag
Hoeveel cm³ is 2,5 dm³?
A
0,25 cm³
B
25 cm³
C
250 cm³
D
2500 cm³
Slide 16 - Quizvraag
In een recht evenredig verband tussen spanning (U) en stroom (I) bij een vaste weerstand:
A
verdubbelt de stroom als de spanning halveert
B
verdubbelt de stroom als de spanning verdubbelt
C
blijft de stroom gelijk
D
daalt de stroom als de spanning stijgt
Slide 17 - Quizvraag
Een blokje hout met dichtheid 0,6 g/cm³ wordt in water gelegd (dichtheid water = 1 g/cm³). Het blokje zal:
A
zinken
B
drijven
C
zweven op de bodem
D
oplossen
Slide 18 - Quizvraag
De vervangingsweerstand van twee weerstanden van 8 Ω en 8 Ω in parallelschakeling is:
A
16 Ω
B
8 Ω
C
4 Ω
D
64 Ω
Slide 19 - Quizvraag
Een wasmachine met vermogen 2200 W draait 45 minuten. Hoeveel kWh verbruikt hij?
A
0,99 kWh
B
1,65 kWh
C
16,5 kWh
D
99 kWh
Slide 20 - Quizvraag
Waarom mag je nooit een stekker met natte handen uit het stopcontact trekken?
A
omdat je dan een elektrische schok kunt krijgen
B
omdat de stekker dan kapot gaat
C
omdat het stopcontact dan kortsluit
D
omdat de stroom dan sterker wordt
Slide 21 - Quizvraag
Bij de verbranding van brandstoffen zoals benzine of aardgas ontstaat altijd:
A
alleen water
B
koolstofdioxide en water
C
alleen zuurstof
D
alleen stikstof
Slide 22 - Quizvraag
Dubbel glas in een raam vermindert warmteverlies vooral door:
A
minder geleiding
B
minder convectie
C
minder straling
D
meer weerstand tegen wind
Slide 23 - Quizvraag
Als je de amplitude van een geluidsgolf vergroot, wordt het geluid:
A
hoger van toon
B
luider
C
zachter
D
lager van toon
Slide 24 - Quizvraag
Echo is een voorbeeld van:
A
absorptie van geluid
B
reflectie van geluid
C
breking van geluid
D
buiging van geluid
Slide 25 - Quizvraag
Een moersleutel is een hefboom. Om een moer makkelijker los te draaien, moet je:
A
verder van de moer duwen
B
harder duwen
C
dichter bij de moer duwen
D
kortere arm gebruiken
Slide 26 - Quizvraag
Een airbag in een auto zorgt voor meer veiligheid omdat:
A
de motor meer vermogen krijgt
B
de remweg korter wordt
C
de auto sneller remt
D
de inzittende over een langere tijd vertraagt
Slide 27 - Quizvraag
Ski’s hebben een groot oppervlak zodat de druk op de sneeuw: