2.4 Mengsels maken

2.4 Mengsels maken
Nodig: Boek (blz. 54) en laptop
1 / 27
volgende
Slide 1: Tekstslide
ScheikundeMiddelbare schoolvmbo g, tLeerjaar 3

In deze les zitten 27 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

2.4 Mengsels maken
Nodig: Boek (blz. 54) en laptop

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Vandaag
Een aantal verschillende mengsels.

Oplosbaarheid en Concentratie

Afmaken H2.4


Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Zelf lezen
Op bladzijde 54 en 55:

'Mengen' 'Verschillende Soorten Mengsels (1) en (2)

Hiervoor krijg je 3 minuten.

Klaar? Lees het nog een keer. Zometeen vragen hierover.

Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat voor mengsel is dit?
A
Oplossing
B
Suspensie
C
Emulsie
D
Legering

Slide 4 - Quizvraag

In sinaasappelsap zitten vaste deeltjes (pulp). Deze zweven in de vloeistof en zakken uiteindelijk naar de bodem. Bovendien is het mengsel troebel.

Het juiste antwoord is daarom suspensie.
Wat voor mengsel is dit?
(brons)
A
Oplossing
B
Suspensie
C
Emulsie
D
Legering

Slide 5 - Quizvraag

Brons is een mengsel van koper en tin. Wanneer twee metalen worden gesmolten en gemengd, heet dit een legering.
Wat voor mengsel is dit?
(mist)
A
Oplossing
B
Nevel
C
Rook
D
Suspensie

Slide 6 - Quizvraag

Mist is bestaat uit minuscule waterdruppeltjes die zweven in lucht. Het is dus een mengsel van een vloeistof in een gas, en daarmee een nevel.
Wat voor mengsel is dit?
(slagroom)
A
Oplossing
B
Suspensie
C
Schuim
D
Nevel

Slide 7 - Quizvraag

Slagroom is een mengsel van kleine luchtbelletjes die in de room zitten opgesloten. Een gas in een vloeistof (of vaste stof) is altijd schuim.
Wat voor mengsel is dit?
(mayonaise)
A
Oplossing
B
Suspensie
C
Emulsie
D
Legering

Slide 8 - Quizvraag

Mayonaisse bestaat uit waterige bestanddelen, zoals azijn en water, en uit olie.

Water en olie mengen normaal gesproken niet, maar met een emulgator kan je deze wel laten mengen.

De emulgator in mayonaise zijn eierdooier en mosterd.
Onthouden: Emulgator
Niet alle vloeistoffen kunnen mengen.
Een bekend voorbeeld is water en olie: Deze zullen na een tijdje vanzelf weer uit elkaar gaan.

Je kan een hulpstof toevoegen om ze te helpen mengen: Een emulgator. Het mengsel heet dan een emulsie.


Slide 9 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Zelf maken
H2.4 Opgave 4 t/m 11.
Klaar? Nakijkboekje.

Hiermee klaar? Lees alvast de rest van H2.4

Slide 10 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

2.4 Mengsels maken
Nodig: Boek (blz. 58) en laptop

Slide 11 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Afspraken
We zitten volgens de plattegrond, zeker tot de kerstvakantie.

Water vullen en WC-bezoek doe je vóór de les. Tijdens de les blijf je zitten.

Onderbreek je de les, krijg je een waarschuwing (naam op bord)
Na de 3e waarschuwing mag je niet meer meedoen met de les

Slide 12 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Hoe heet een mengsel van water en olie?

Slide 13 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Hoe heet een hulpstof om een emulsie te maken?

Slide 14 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Hoe zie je het verschil tussen een oplossing en een suspensie?

Slide 15 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Concentratie en Oplosbaarheid
Je hebt nodig:
Boek op blz. 58
Schrift en pen
Rekenmachine

Slide 16 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Begrippen om te kennen:
Oplosbaarheid: Hoeveelheid stof die maximaal kan oplossen in (gram per liter, g/L)

Concentratie: Hoeveelheid stof die daadwerkelijk is opgelost (gram per liter, g/L)

Verzadigde oplossing: Oplossing waarbij de maximale hoeveelheid is opgelost. De oplossing zit eigenlijk "vol"

Slide 17 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

In 10 mL water zit 2 gram zout opgelost. De concentratie is .... gram per liter.

Slide 18 - Open vraag

10 mL * 100 = 1L.

2 gram * 100 = 200 gram.

Dus 200 g/L
In 150 mL water zit 20 gram suiker opgelost. De concentratie suiker is .... gram per liter.

Slide 19 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Berekening
.



Bereken eerst hoeveel gram in 1 mL gaat.
Doe dat antwoord x1000
Gram
20
?
mL
150
1000

Slide 20 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

In een bekerglas van 400 mL water zit 37 gram KNO3 opgelost. De concentratie KNO3 is ..... g/L.

Slide 21 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Berekening
In een bekerglas van 400 mL water zit 37 gram KNO3 opgelost. De concentratie KNO3 is ..... g/L.

37 gram / 400 mL = 0,0925 gram per milliliter.



0,0925 x 1000 = 92,5 gram per Liter.

Slide 22 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Voor de volgende vragen heb je de grafiek op bladzijde 58 nodig.
Deze grafiek geeft aan wat de oplosbaarheid is van verschillende stoffen bij verschillende temperaturen.

Bijvoorbeeld: KCl kan bij 10 graden (horizontale as) maximaal 300 gram/L (verticale as) oplossen.

Slide 23 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat is de oplosbaarheid van KNO3 bij 40 graden Celsius?
A
35 g/L
B
140 g/L
C
300 g/L
D
580 g/L

Slide 24 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Bij welke temperatuur is de oplosbaarheid van KCl en NaCl gelijk?
A
0 graden Celsius
B
30 graden Celsius
C
60 graden Celsius
D
90 graden Celsius

Slide 25 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Je wilt 500 gram KCl oplossen in een liter water. Hoe warm moet je het water maken?
A
25 graden Celsius
B
50 graden Celsius
C
75 graden Celsius
D
100 graden Celsius

Slide 26 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Huiswerk
H2.4 Afmaken

Slide 27 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies