H4, les 2

Economie jaar 3
Hoofdstuk 4 - bedrijfseconomie
spullen op tafel 
(boek, schrift, rekenmachine, etui)
1 / 17
volgende
Slide 1: Tekstslide
EconomieMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 3

In deze les zitten 17 slides, met tekstslides en 2 videos.

Onderdelen in deze les

Economie jaar 3
Hoofdstuk 4 - bedrijfseconomie
spullen op tafel 
(boek, schrift, rekenmachine, etui)

Slide 1 - Tekstslide

Inhoud van de les
  • Herhaling vorige lessen: bruto- en nettowinst



  • Uitleg brutowinst- en nettowinstmarge  --> opdracht 4.21
  • SWOT-analyse






Slide 2 - Tekstslide

4.3 Omzet en winst
Niet schrikken van het woord marge

Van kostprijs naar verkoopprijs

  • De inkoopprijs is de prijs die het kost om één product  in te kopen.

  • De winstmarge is een percentage van de omzet en een vergoeding voor de ondernemer.

  • De verkoopprijs is de inkoopprijs  en de brutowinst bij elkaar opgeteld.



Slide 3 - Tekstslide

Slide 4 - Video

Herhaling
De bakker heeft 50 puddingbroodjes in de etalage liggen. We kopen als klas 30 puddingbroodjes voor €2,50 per stuk
De inkoopprijs van de bakker is €0,80 per stuk.

Vraag: Wat is de brutowinst voor de bakker?

Slide 5 - Tekstslide

Antwoorden
Wat is de brutowinst voor de bakker?
Omzet: 30 x €2,50 = €75
Inkoopwaarde: 30 x €0,80 = €24
Brutowinst = omzet – inkoopwaarde = €75 - €24 = €51
Stel de bedrijfskosten zijn in totaal €11 euro, dan is de nettowinst €40

Slide 6 - Tekstslide

4.2 Basisbegrippen (blz. 52)
Afzet: Het aantal verkochte producten in stuks.
Omzet: Het bedrag in geld dat de verkoper ontvangt van de klanten. De waarde van de afzet in euro's. 


Brutowinst: omzet min de inkoopwaarde van de omzet.
Nettowinst: de brutowinst min alle bedrijfskosten.


Slide 7 - Tekstslide

Verwachte nettowinst (blz. 54)
Bedrijfskosten zijn kosten die nodig zijn om je bedrijf uit te oefenen en producten te kunnen verkopen.
Bijvoorbeeld: Loonkosten, huur en elektriciteit.
Nettowinst: Brutowinst min alle bedrijfskosten.


Slide 8 - Tekstslide

Slide 9 - Tekstslide

Brutowinst- en nettowinstmarge (blz. 57)
Brutowinstmarge --> brutowinst uitgedrukt in een percentage van de omzet.
Nettowinstmarge --> Nettowinst uitgedrukt in een percentage van de omzet.

Slide 10 - Tekstslide

Bruto- en nettowinstmarge --> (opdr. 4.21 )
Brutowinstmarge: De verhouding tussen omzet en winst uitgedrukt als een percentage van de omzet.


Bij de nettowinstmarge doe je hetzelfde, maar dan nettowinst ipv brutowinst.
Tip: 4.21 is een belangrijke opdracht!






Slide 11 - Tekstslide

Bruto- en nettowinstmarge
Waarom zijn deze cijfers belangrijk?

Als je deze cijfers (percentages) hebt kan je makkelijk vergelijken. 
- Vergelijken met eigen cijfers van bijvoorbeeld vorig jaar.
- Vergelijken met concurrenten.
Omzet zegt bijvoorbeeld niet zo veel. Wel hoeveel daarvan winst is. Data is belangrijk!


Slide 12 - Tekstslide

Slide 13 - Video

Opdrachten maken
Wat: Maak opdracht 4.17 op blz. 57.
Tijd: Jullie krijgen daar 15 minuten tijd voor.
Hulp nodig: Lees de aantekeningen en de tekst boven de opdracht goed door. Vraag het rustig aan diegene die naast je zit.
Klaar? Maak opdracht 4.18. 

Slide 14 - Tekstslide

SWOT-analyse (blz. 57)
Een SWOT-analyse geeft een ondernemer inzicht in de sterke en zwakke punten van zijn bedrijf en welke kansen en bedreigingen er zijn in de markt waarin het bedrijf opereert. 

Slide 15 - Tekstslide

SWOT-analyse 
Wat zou de SWOT-analyse voor New York Pizza zijn?

Slide 16 - Tekstslide

Afsluiting van de les
Lesdoelen:
- Je kan benoemen waar een ondernemingsplan uit bestaat.
- Je kan uitleggen wat de Kamer van Koophandel doet.
- Je kan de brutowinst- en nettowinstmarge berekenen. 

Slide 17 - Tekstslide